Door André Mosis
Deze foto van minister-president Rob Jetten met vijf nazaten van Afrikaanse voorouders die verbonden zijn met de Marrongemeenschappen van Suriname, heeft bij mij verschillende vragen opgeroepen. Dat komt niet alleen door het onderwerp van de ontmoeting, het slavernijverleden, maar vooral door de vermelding dat deze delegatie de Marrongemeenschappen van Suriname zou vertegenwoordigen.

Voordat ik daarop inga, wil ik eerst iets persoonlijks opmerken.
De minister-president draagt op de foto een bandya koosu, zoals dit kledingstuk in het Saamaka wordt genoemd, en ook wel putukele in de Okanisi-taal. De schouderdoek is over zijn rechterschouder geknoopt, overeenkomstig de traditie voor mannen. Ik vind dat het hem goed staat.
Het is een bijzonder beeld dat, mits zorgvuldig gedocumenteerd, ook voor toekomstige generaties kan laten zien hoe de traditionele Marroncultuur zichtbaar is in het hedendaagse, multiculturele Nederland.
De vijf Marrons op de foto zijn voor mij geen onbekenden. Het zijn bekenden en goede kennissen van mij. Toch was ik niet op de hoogte van hun bezoek aan de minister-president. Dat hoefde overigens ook niet. Ik ben niet degene die bepaalt wie voor zo’n ontmoeting wordt uitgenodigd. Bovendien hoeft niet iedere Marron op de hoogte te zijn van iedere activiteit van andere Marrons.
Juist hier ontstaat echter een belangrijke vraag, die ook anderen zich kunnen stellen: ging het om een officiële vertegenwoordiging van de Marrongemeenschappen van Suriname, of om een ontmoeting met vijf Marrons die op persoonlijke titel of vanuit een bepaalde organisatie een bezoek brachten aan de Nederlandse minister-president?
Dat onderscheid is essentieel. Het gaat er niet om de goede bedoelingen van de aanwezigen in twijfel te trekken, maar om duidelijkheid te krijgen over het mandaat waarmee zij eventueel hebben gesproken.
Wie vertegenwoordigt de Marrongemeenschappen van Suriname in Nederland?
De Marrongemeenschappen van Suriname bestaan uit zes gemeenschappen: de Okanisi, de Saamaka, de Matawai, de Kwinti, de Pamaka en de Aluku. Elk van deze gemeenschappen heeft een eigen historische ontwikkeling, culturele identiteit en traditie van gemeenschapsorganisatie.
Binnen verschillende Marrongemeenschappen vervult de Gaanman een belangrijke traditionele bestuurlijke en culturele rol. De precieze bevoegdheden, overlegstructuren en besluitvormingsprocedures verschillen echter per gemeenschap.
Vanuit dit gegeven is het begrijpelijk dat een ontmoeting waarbij wordt gesproken over de vertegenwoordiging van de Marrongemeenschappen vragen oproept over de manier waarop die vertegenwoordiging tot stand is gekomen.
Als vijf personen daadwerkelijk namens alle zes gemeenschappen spreken, is het redelijk om te willen weten op grond van welk mandaat zij dat doen. Zijn de betrokken traditionele gezagsdragers geraadpleegd? Zijn de zes gemeenschappen bij de voorbereiding betrokken geweest? Is er een formele opdracht verstrekt en, zo ja, door wie? Is er een gezamenlijk standpunt vastgesteld over de onderwerpen die tijdens het gesprek aan de orde kwamen?
Wanneer de zes Gaanman en de relevante gemeenschapsorganen bij de aanwijzing of goedkeuring van de delegatie betrokken waren, zou dat meer duidelijkheid kunnen bieden over de legitimiteit van de vertegenwoordiging. Of hun formele instemming noodzakelijk is, hangt mede af van het doel van het overleg, de interne besluitvormingsregels en afspraken binnen de gemeenschappen en de aard van het verleende mandaat.
Het is daarom belangrijk om niet bij voorbaat te concluderen dat de delegatie onbevoegd was. Zonder nadere informatie kunnen we dat niet vaststellen.
Wel mogen we een fundamentele vraag stellen: op grond waarvan wordt een groep personen gepresenteerd als vertegenwoordiger van een veel grotere en intern diverse gemeenschap?
Die vraag is niet alleen relevant voor Marrons. Zij geldt voor iedere organisatie, bevolkingsgroep of maatschappelijke beweging die stelt namens anderen te spreken.
In een democratische samenleving kunnen regeringsleiders verschillende soorten bezoekers ontvangen. Dat kunnen officiële delegaties zijn, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, deskundigen, belangenbehartigers of individuele personen die een gesprek hebben aangevraagd.
Een ontmoeting met de minister-president bewijst op zichzelf niet dat de bezoekers een formeel mandaat hebben om een volledige bevolkingsgroep te vertegenwoordigen.

Omgekeerd betekent het ontbreken van een breed gedragen gemeenschapsmandaat niet dat een ontmoeting geen waarde heeft. Individuele Marrons, culturele organisaties en belangenbehartigers kunnen belangrijke ervaringen, inzichten en ideeën onder de aandacht van de regering brengen.
Het onderscheid zit in de hoedanigheid waarin de bezoekers optreden, de manier waarop het bezoek wordt gepresenteerd en de verwachtingen die daardoor ontstaan.
Wanneer vijf personen op persoonlijke titel een gesprek voeren, is dat ook een legitieme vorm van maatschappelijke participatie. Wanneer zij namens zes Marrongemeenschappen spreken, is het van belang dat hun mandaat en de reikwijdte daarvan duidelijk zijn.
Dat geldt des te meer wanneer het gesprek betrekking heeft op het Nederlandse slavernijverleden, historische erkenning en mogelijke herstelmaatregelen. Deze onderwerpen raken immers aan verschillende gemeenschappen, uiteenlopende historische ervaringen en verschillende belangen.
Transparantie over de hoedanigheid van de deelnemers voorkomt misverstanden en draagt bij aan het behoud van vertrouwen in het overleg.
Een eenvoudige toelichting zou al veel duidelijkheid kunnen bieden: wie heeft het initiatief genomen, namens wie is gesproken, welke onderwerpen zijn besproken en welke afspraken zijn eventueel gemaakt?
Duidelijkheid scheppen is geen aanval op de deelnemers. Het is een voorwaarde voor een zorgvuldig maatschappelijk debat.
Waarom reikt de discussie verder dan de foto?
Wat mij vooral bezighoudt, is dat de vraag naar de vertegenwoordiging gemakkelijk kan uitgroeien tot een bredere confrontatie tussen nazaten van Afrikaanse voorouders.
In de reacties op dit soort gebeurtenissen kunnen oude spanningen tussen Marrons en andere AfroSurinamers opnieuw naar voren komen. Een discussie die aanvankelijk gaat over mandaat, besluitvorming en politieke vertegenwoordiging, verandert dan in een debat over culturele identiteit, intellectuele waardigheid en de vraag welke groep het verleden beter begrijpt.
Hetzelfde gebeurt wanneer traditionele kennis bij voorbaat als achterhaald wordt beschouwd of wanneer formeel onderwijs wordt afgedaan als bewijs van geestelijke kolonisatie.
Dit zijn verschillende kwesties die elk een eigen onderzoek en benadering verdienen. Wanneer ze met elkaar worden vermengd, raken mensen steeds verder verwijderd van het gesprek dat werkelijk gevoerd moet worden.
Om de onderlinge verhoudingen tussen Marrons en andere AfroSurinamers beter te begrijpen, moeten we terugkijken naar de geschiedenis van Suriname.
Ook over de manier waarop die geschiedenis moet worden bestudeerd, bestaan echter verschillende opvattingen. Binnen Marrongemeenschappen speelt de mondeling overgeleverde kennis van voorouders een belangrijke rol. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de Okanisi-uitdrukking San den gaanwan fu wi be leli wi: wat onze voorouders ons over het verleden hebben geleerd. Binnen Creoolse kringen wordt bij de bestudering van de geschiedenis daarentegen vaak veel waarde gehecht aan schriftelijke bronnen uit de koloniale archieven.
Deze benaderingen hoeven elkaar niet uit te sluiten. Integendeel, ze kunnen elkaar aanvullen en samen bijdragen aan een vollediger beeld van het verleden.
De voorouders van de huidige nazaten van Afrikaanse gemeenschappen werden onder dwang uit Afrika weggevoerd en naar Suriname gedeporteerd, waar zij tot slaaf werden gemaakt en gedwongen werden te werken. Binnen het koloniale plantagesysteem werden zij systematisch ontmenselijkt. Zij en hun nakomelingen kregen te maken met geweld, gedwongen arbeid, familiebreuken en pogingen om hun sociale en culturele verbanden te beheersen.
Marrons identificeren zich als nazaten van Afrikaanse voorouders die wisten te ontsnappen aan het gedwongen plantagesysteem en in het binnenland van Suriname zelfstandige gemeenschappen opbouwden.
Deze gemeenschappen moesten hun vrijheid verdedigen en ontwikkelden eigen sociale structuren, bestuursvormen, spirituele tradities en manieren om kennis van generatie op generatie over te dragen.
Uit deze verschillende historische ervaringen zijn uiteenlopende vormen van maatschappelijke organisatie en collectieve identiteit voortgekomen.
Voor veel Marrongemeenschappen is de geschiedenis van vrijheid nauw verbonden met collectief verzet, zelfbestuur, culturele continuïteit en de verdediging van de eigen leefwereld. Voor veel Creoolse families is de geschiedenis mede verbonden met het overleven van de slavernij, de strijd voor emancipatie en de zoektocht naar maatschappelijke gelijkwaardigheid binnen een samenleving die lange tijd werd beheerst door koloniale machtsverhoudingen.
Deze historische verschillen verdienen erkenning. Ze mogen echter niet worden gebruikt om een rangorde aan te brengen tussen de nazaten van beide groepen.
Bovendien zijn Marrons en andere AfroSurinamers geen homogene groepen. Binnen beide gemeenschappen bestaan uiteenlopende overtuigingen, levenswijzen, politieke standpunten en opvattingen over de toekomst.
Wie dit uit het oog verliest, vervangt historisch onderzoek door generalisaties.
Het koloniale bestuur had er belang bij de controle over mensen, arbeid en grondstoffen te behouden. Verschillen tussen bevolkingsgroepen en uiteenlopende posities binnen de koloniale samenleving konden worden benut om de macht te handhaven en gezamenlijk verzet te bemoeilijken.
De geschiedenis van Suriname laat zien dat de verhoudingen tussen mensen die op de plantages tot slaaf waren gemaakt en de Marrongemeenschappen die zich aan het koloniale gezag hadden onttrokken, niet eenvoudig waren. Er waren conflicten, uiteenlopende belangen, onderhandelingen en veranderende relaties.
Het is daarom verdedigbaar om te onderzoeken in hoeverre het koloniale beleid heeft bijgedragen aan onderlinge afstand en wantrouwen.
Tegelijkertijd moeten we voorzichtig zijn met de gedachte dat alle huidige verschillen uitsluitend het gevolg zijn van een bewust en volledig uitgewerkt verdeel-en-heersplan. Ook geografische omstandigheden, interne politieke ontwikkelingen, economische veranderingen en de eigen keuzes van gemeenschappen hebben de geschiedenis beïnvloed.
Bewustwording betekent niet dat we één verklaring aanwijzen voor alle problemen. Het betekent dat we bereid zijn de verschillende historische factoren zorgvuldig te onderzoeken.
De belangrijke vraag is niet alleen wat de kolonisator heeft gedaan, maar ook hoe de gevolgen daarvan door volgende generaties zijn overgenomen en voortgezet.
Welke denkbeelden over elkaar zijn blijven bestaan? Welke verhalen worden binnen gezinnen doorgegeven? Welke kennis ontbreekt in het onderwijs? En welke historische misverstanden beïnvloeden nog altijd de manier waarop Marrons en Creolen met elkaar omgaan?
Zonder dergelijke vragen blijft de koloniale geschiedenis een verhaal over het verleden, in plaats van een onderwerp waarmee de huidige samenleving kritisch aan de slag gaat.
Een gevoelig punt in de verhouding tussen Marrons en andere AfroSurinamers is de waardering van kennis.
In veel samenlevingen wordt formeel onderwijs beschouwd als een belangrijke maatstaf voor deskundigheid en maatschappelijke vooruitgang. Dat is begrijpelijk: onderwijs kan mensen toegang geven tot wetenschappelijke kennis, juridische expertise en bestuurlijke mogelijkheden.
Wanneer echter uitsluitend formeel onderwijs als geldige bron van kennis wordt beschouwd, dreigen andere kennisvormen ondergewaardeerd te raken.
Binnen Marrongemeenschappen wordt kennis al generaties lang mondeling overgedragen, onder meer via familieverbanden, traditionele gezagsdragers, spirituele praktijken en deelname aan het gemeenschapsleven. Mede dankzij deze kennis en ervaring hebben Marrongemeenschappen hun sociale structuren, geschiedenis en culturele tradities in stand kunnen houden.
Een ervaren Marron kan diepgaande kennis bezitten van de geschiedenis van zijn gemeenschap, traditionele rechtspraak, verwantschapsverhoudingen, culturele gebruiken en de verantwoordelijkheden die het leven binnen een gemeenschap met zich meebrengt.
Die kennis is niet minder betekenisvol omdat zij niet uitsluitend via een academische opleiding is verworven.
Iedere academisch geschoolde AfroSurinamer kan waardevolle kennis hebben van recht, geschiedenis, economie, politiek of internationale betrekkingen. Die deskundigheid kan van grote betekenis zijn bij beleidsontwikkeling en belangenbehartiging.
Er zijn tegenwoordig ook veel Marrons die dergelijke academische en bestuurlijke kennis hebben verworven. Het is daarom onjuist om traditionele kennis en formele scholing zonder meer aan verschillende bevolkingsgroepen toe te schrijven.
De oplossing ligt niet in het tegenover elkaar plaatsen van de ene kennisvorm en de andere.
De werkelijke uitdaging is een samenleving te ontwikkelen waarin wetenschappelijke kennis en traditionele kennis elkaar kritisch kunnen aanvullen en waarin niemand op basis van afkomst of opleidingsniveau bij voorbaat wordt uitgesloten.
Eurocentrisme wordt niet bestreden door iedere Europese gedachte af te wijzen. Het wordt bestreden door de vanzelfsprekendheid ter discussie te stellen waarmee één historisch gegroeide kennis- en waardenschaal als universele norm wordt gepresenteerd.
Dat vraagt ook van Marrons en andere AfroSurinamers dat zij hun eigen aannames blijven onderzoeken en bereid zijn te leren van mensen met andere ervaringen.
De Nederlandse excuses voor het slavernijverleden hebben het debat over erkenning en herstel verder op gang gebracht. Daarbij is het van belang onderscheid te maken tussen symbolische erkenning, concrete beleidsmaatregelen, financiële middelen en de vraag wie over de besteding daarvan beslist.
Een gesprek met de Nederlandse minister-president kan onderdeel zijn van dat proces. Wanneer de belangen van meerdere gemeenschappen aan de orde zijn, is het echter noodzakelijk dat er duidelijkheid bestaat over de vertegenwoordiging en de besluitvorming.
Ook moeten we ervoor waken om zonder bewijs aan te nemen dat er al een vaststaand bedrag beschikbaar is dat automatisch aan de nazaten van Afrikanen of aan afzonderlijke gemeenschappen zal worden uitgekeerd. De concrete afspraken, voorwaarden en bestemmingen van eventuele herstelmaatregelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld.
De prioriteiten van Marrongemeenschappen hoeven daarbij niet volledig overeen te komen met die van andere Afro-Surinaamse groepen.
Juist daarom is een transparant proces nodig waarin uiteenlopende behoeften kunnen worden benoemd en zorgvuldig tegen elkaar kunnen worden afgewogen.
Gezamenlijk optreden betekent niet dat iedereen hetzelfde moet willen. Het betekent dat mensen in staat zijn afspraken te maken over gedeelde doelen en respectvol met verschillen om te gaan.
De reacties op de ontmoeting met de minister-president bieden een kans om een diepere vraag te stellen: waarom veranderen discussies over concrete maatschappelijke kwesties zo gemakkelijk in conflicten over identiteit en historische waardigheid?
Wanneer iemand vragen stelt over het mandaat van een delegatie, moet die persoon inhoudelijk antwoord kunnen krijgen zonder dat meteen een hele gemeenschap wordt aangevallen.
Wanneer iemand de waarde van Marrontradities benadrukt, hoeft dat niet te betekenen dat Creoolse kennis wordt afgewezen.
En wanneer iemand academische of bestuurlijke deskundigheid inbrengt, hoeft dat niet te worden gezien als een poging om traditionele kennis te overheersen.
Een volwassen maatschappelijk debat vereist dat we argumenten beoordelen op basis van hun inhoud, het beschikbare bewijs en hun relevantie.
Het doorbreken van verdeeldheid begint niet met de eis dat iedereen hetzelfde denkt. Het begint met de bereidheid om de ander niet langer uitsluitend door de eigen historische bril te beoordelen.
Wanneer Marrons en andere AfroSurinamers hun onderlinge verhoudingen willen verdiepen, is het belangrijk dat bewustwording wordt omgezet in concrete activiteiten.
De foto van minister-president Rob Jetten met vijf Marrons is meer dan een beeld van een politieke ontmoeting. Zij biedt aanleiding om na te denken over vertegenwoordiging, culturele zichtbaarheid, historische verantwoordelijkheid en de manier waarop verschillende gemeenschappen hun belangen naar voren brengen.
De aanwezigheid van de bandya koosu kan daarbij worden gezien als een betekenisvol moment van culturele herkenning. De vraag naar het mandaat van de aanwezigen is een afzonderlijke, eveneens legitieme kwestie die op basis van concrete informatie moet worden beantwoord.
De discussie mag echter niet blijven steken in de vraag wie wel of niet aan tafel zat.
De kernvraag is uiteindelijk niet of Marrons en andere AfroSurinamers hetzelfde zijn, maar of zij bereid zijn elkaar werkelijk te leren kennen zonder de eigen identiteit als maatstaf te gebruiken voor de waarde van de ander.
Bewustwording begint met het stellen van kritische vragen. Zij krijgt pas werkelijk betekenis wanneer die vragen leiden tot onderzoek, wederzijds respect en concrete samenwerking.
André Mosis (Marowijne, 1954) is een Haagse Marron-kunstenaar: dichter, schilder, toneelmaker en Apinti-masterdrummer. Hij geeft les en lezingen over de sprekende drum van de Marrons en schreef met zijn kinderen het boek Apinti. De sprekende drum van de Marrons (2025). In 2000 ontving hij de Gaanman Gazon Matodja Award.