Hoe vaak moeten we nog geschokt zijn?

10 min leestijd

Door Augusto de Campos Neto

Soms lees ik een nieuwsbericht waarvan ik oprecht niet meer weet wat mij het meest verbaast. Hetgeen wat er staat, of het feit dat we met elkaar opnieuw doen alsof we verbaasd zijn.

Deze week was het weer raak. Mensen met een biculturele achternaam blijken bij het UWV vaker een boete te krijgen voor fraude en die boetes blijken ook hoger uit te vallen. Een intern onderzoek naar aanleiding van klachten bleef bovendien een jaar op het bureau van de UWV-top liggen.

De reacties lieten niet lang op zich wachten. Discriminatie is onaanvaardbaar, het moet tot op de bodem worden uitgezocht en er moeten passende maatregelen worden genomen.

Allemaal begrijpelijke reacties. Toch bleef bij mij vooral één vraag hangen: hoe vaak kunnen we nog geschokt zijn over iets waarvan inmiddels voldoende aanwijzingen bestaan dat het geen op zichzelf staand incident is?

We hebben de toeslagenaffaire gehad. We hebben onderzoeken gehad naar discriminatie en institutioneel racisme binnen de overheid. We hebben excuses gehad, commissies ingesteld, rapporten geschreven en herstelprogramma’s opgetuigd.

Deze week ontving koning Willem-Alexander ook de resultaten van een drie jaar durend onderzoek naar de rol van het Huis Oranje-Nassau in de koloniale geschiedenis. Ongeveer zestig onderzoekers hebben zich gebogen over die geschiedenis. Ook dat onderzoek levert nieuwe kennis en inzichten op over de relatie tussen macht, economische belangen en kolonialisme.

Begrijp mij niet verkeerd. Onderzoek is belangrijk. Feiten zijn belangrijk. Erkenning is belangrijk. Excuses kunnen belangrijk zijn. Toch bekruipt mij steeds vaker het gevoel dat ons grootste probleem inmiddels niet meer een gebrek aan kennis is.

We weten namelijk behoorlijk veel.

De vraag is wat die kennis vervolgens verandert.

Wanneer wordt een patroon eigenlijk een patroon? Hoeveel onderzoeken hebben we nodig voordat we niet meer verbaasd reageren op de volgende uitkomst? Hoe vaak kan een overheid zeggen dat iets onaanvaardbaar is, om een aantal jaren later bij een andere overheidsorganisatie ongeveer hetzelfde gesprek te voeren?

Die vragen mogen wat mij betreft nadrukkelijk aan de overheid en instituties worden gesteld. De verantwoordelijkheid voor discriminatie ligt bij degenen die discrimineren en bij instituties die ongelijkheid produceren, reproduceren of onvoldoende corrigeren.

Toch wil ik een andere vraag niet uit de weg gaan.

Een vraag aan onszelf.

Want ook aan onze kant herken ik inmiddels een patroon.

Na iedere onthulling ontstaat terecht boosheid. Mensen spreken zich uit. Deskundigen duiden wat er gebeurt. Organisaties organiseren bijeenkomsten. Consultants schrijven analyses. Op sociale media verschijnen posts waarin opnieuw wordt uitgelegd waarom dit geen incident is.

Soms krijg ik daarbij het gevoel dat we allemaal opnieuw proberen aan te tonen dat we zien wat er werkelijk aan de hand is. Alsof degene met de scherpste analyse uiteindelijk ook degene is die het probleem heeft opgelost.

Dat is natuurlijk niet zo.

Analyseren is nog geen veranderen.

Misschien moeten we daarom veel nadrukkelijker over macht praten. Niet omdat alles uiteindelijk om macht zou moeten draaien, maar omdat moreel gelijk hebben en daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen twee verschillende dingen zijn.

Dat vind ik een ongemakkelijke constatering.

Want wanneer een gemeenschap keer op keer moet vragen of een instituut haar gelijkwaardig wil behandelen, moeten we ons op een gegeven moment ook afvragen hoe afhankelijk we willen blijven van de bereidheid van dat instituut om zichzelf te veranderen.

Waarom zou een systeem fundamenteel veranderen wanneer het nauwelijks iets kost om niet te veranderen?

Daar begint voor mij een gesprek dat we veel te weinig voeren.

Waar is bijvoorbeeld onze economische mobilisatie? Niet alleen succesvolle zwarte ondernemers, professionals en bestuurders, want die zijn er volop. Ik bedoel iets anders. Hoe verbinden we economische kracht zodanig dat daarmee ook collectieve invloed ontstaat? Hoe zorgen we dat ondernemerschap, kapitaal, kennis en netwerken elkaar versterken? Hoe bouwen we iets waardoor anderen rekening met ons móéten houden, niet uit liefdadigheid of omdat diversiteit goed staat in een jaarverslag, maar omdat onze positie ertoe doet?

Dezelfde vraag stel ik over onze intellectuele kracht. We hebben wetenschappers, schrijvers, denkers, kunstenaars, onderzoekers en professionals genoeg. Toch is de vraag hoe vaak die kennis wordt georganiseerd tot iets dat groter is dan het individu. Waar zijn de duurzame kennisinstituten die zelf onderzoek financieren, data verzamelen, mensen opleiden, agenda’s beïnvloeden en een eigen intellectuele traditie verder ontwikkelen?

Ook institutioneel ligt dezelfde vraag op tafel. Welke organisaties bouwen we die niet afhankelijk zijn van één charismatisch persoon, één subsidieprogramma of één tijdelijk maatschappelijk momentum, maar over twintig of dertig jaar nog steeds bestaan?

Politieke invloed, juridische slagkracht, media, onderwijs, ondernemerschap, wetenschap en internationale verbinding horen wat mij betreft bij hetzelfde gesprek.

Niet omdat iedereen hetzelfde moet denken. Dat lijkt mij niet alleen onmogelijk, maar ook onwenselijk. Verschil van mening hoort bij iedere volwassen gemeenschap.

Organisatie vraagt iets anders.

Het vraagt dat we ondanks onze verschillen soms kunnen herkennen waar een gezamenlijk belang ligt.

Misschien zit daar wel een van onze grootste uitdagingen.

We zijn heel goed geworden in reageren. Veel minder goed zijn we geworden in het langdurig organiseren van tegenkracht.

Dat schrijf ik niet vanuit verwijt. De boosheid na iedere nieuwe onthulling begrijp ik volledig. Soms voel ik die zelf ook. Alleen vraag ik mij steeds vaker af wat er gebeurt ná die boosheid.

Waar gaat die energie naartoe?

Wie organiseert haar?

Welke infrastructuur blijft bestaan wanneer het nieuws alweer verder is gegaan?

Welke economische, juridische, intellectuele en institutionele positie is vijf jaar later sterker geworden doordat we ons hebben georganiseerd?

Juist daar zit volgens mij het verschil tussen protest en macht.

In 2018 schreef ik:

The only way to fight a system
Is to own a system…….

To own a system
You have to unite
To unite
Is to let go of selfish goals
To let go of selfish goals
Is to see the bigger picture
To see the bigger picture
Is to open your mind
To open your mind
Is not to act on emotions
Not to act on emotions
Is to act with policy
To act with policy
Is to count to ten
And to count to ten
You have to start at
ONE

So it all comes to you……..

Acht jaar later lees ik die woorden anders dan toen.

Vooral het woord own.

Dat hoeft voor mij niet letterlijk te betekenen dat je het bestaande systeem moet overnemen. Het betekent dat je niet uitsluitend afhankelijk kunt zijn van de systemen van anderen om jouw positie te bepalen. Eigenaarschap betekent ook zelf bouwen, zelf organiseren, zelf financieren, zelf kennis ontwikkelen en zelf instituties creëren.

Verbinding blijft daarbij voor mij essentieel. Verbinding zonder een zekere mate van gelijkwaardigheid heeft alleen een groot risico: degene met de minste macht blijft degene die het meest moet bewegen.

Misschien moeten we daarom stoppen met wachten op het moment waarop iedereen eindelijk begrijpt wat wij al zo lang proberen uit te leggen.

Niet omdat uitleg geen zin heeft.

Niet omdat dialoog geen zin heeft.

Niet omdat onderzoek geen zin heeft.

Maar omdat geen van die dingen een vervanging is voor organisatie.

De volgende keer dat een rapport verschijnt waaruit blijkt dat mensen vanwege hun afkomst anders worden behandeld, zullen de reacties waarschijnlijk niet veel anders zijn. Geschokt, onaanvaardbaar, onderzoek, maatregelen. Ook wij zullen weer reageren, analyseren en onze boosheid uitspreken.

Daarmee verandert de verhouding nog niet.

In 2018 schreef ik dat je een systeem pas werkelijk kunt bevechten als je zelf in staat bent iets op te bouwen. Acht jaar later vind ik dat misschien wel relevanter dan toen.

We hebben kennis genoeg. We hebben mensen genoeg. We hebben ondernemers, wetenschappers, juristen, kunstenaars, bestuurders, denkers en professionals genoeg. Wat nog te vaak ontbreekt, is het vermogen om al die kracht zodanig te organiseren dat die ook gewicht krijgt.

Economisch gewicht. Intellectueel gewicht. Institutioneel gewicht. Politiek gewicht.

Zolang we dat niet voor elkaar krijgen, vrees ik dat we dit gesprek over een paar jaar gewoon opnieuw voeren. Naar aanleiding van een ander rapport, bij een andere organisatie, met dezelfde verbazing en ongeveer dezelfde woorden.

Ik heb weinig behoefte om tegen die tijd opnieuw geschokt te zijn.

Deel dit artikel