Afbeelding

Aanmeerplaats Atjoni, van waaruit leerkrachten naar hun respectieve dorpen vervoerd worden

Afbeelding

Egbert Eersteling

Afbeelding

Onderweg.vanuitAtjoni.naar.de.dorpen

Afbeelding

Schoolgebouw Manlobi

Afbeelding

schoolgebouw Drietabiki

Afbeelding

Klaslokaal Drietabiki zonder plafond

Afbeelding

Bijgebouw school Drietabiki

Afbeelding

Dit artikel is tot stand gekomen met ondersteuning van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten

Onderwijshelden in het binnenland van Suriname

Door: Renate Sluisdom met assistentie van Simone Awanna

In de jaren 60 van de vorige eeuw, toen ik een jaar of 3 was, verhuisde ik met mijn moeder en zusje vanuit Paramaribo naar district Saramacca. Mijn vader – vanwege politieke pesterij medisch afgekeurd bij de Surinaamse overheid - was naar Nederland vertrokken om daar ander werk te zoeken. Mijn moeder moest daarom de verzorging van de twee kinderen even alleen dragen. Dus vroeg ze detachering aan, om te besparen op kosten van levensonderhoud. Niet onbegrijpelijk, want veel te kopen viel er niet in districten. Maar bovendien werd in district en binnenland extra toelages en gratis woonruimte geven.  Dus wij vertrokken naar Saramacca om geld te besparen, en dat schijnt gelukt te zijn, want anderhalf jaar later vertrokken we naar Nederland, pa achterna. 

In mijn moeders tijd werden alle Kweekschool-afgestudeerden verplicht drie jaren naar district of binnenland gedetacheerd. Tenminste, dat dachten wij. We hadden het geluk Egbert Eersteling te pakken te krijgen, die jarenlang, tot aan zijn pensionering in 2016, hoofd is geweest van het Bureau Onderwijs Binnenland (BOB), en als zodanig verantwoordelijk was voor de plaatsing van leerkrachten in het binnenland. Dat zijn er niet weinig, 1026 om precies te zijn. Eersteling legt uit dat hij bij zijn aantreden bij BOB, op zoek is gegaan naar de wettelijke regeling die ten grondslag zou hebben gelegen aan de ‘districtsjaren’ van de meeste onderwijzers. Hij ontdekte dat die wettelijke regeling nooit heeft bestaan.  

Egbert EerstelingEgbert Eersteling

Eersteling maakte deel uit van BOB vanaf het eerste uur, 15 september 1983. Tien jaar later werd hij met de leiding belast, en dat bleef hij tot aan zijn pensionering in 2016. Het is na de recente verkiezingen van 2020 stil geweest rond Bert. Niet omdat hij minder te melden heeft, maar omdat hij Marie Levens, de nieuwe minister van Onderwijs alle ruimte gunt om haar beleid vorm te geven zonder zijn directe inmenging. “Ik wilde niet eerder publiekelijk met mijn mening voor de dag komen. Ik wil Marie - ik ken Marie heel goed weet u – alle ruimte gunnen om haar eigen beleid uit te stippelen. Maar nu heb ik u dan deze primeur gegeven.” En een primeur is het geworden: 49 minuten vol informatie over leerkrachten, ministeries, wetten, en jaartallen die hij gewoon nog in zijn hoofd heeft zitten.

Wetten

Die drie districtsjaren hadden dus geen wettelijke grondslag, maar waren een kwestie van ‘goed gebruik’ begrijpen we uit Berts uitleg. “U weet, openbaar onderwijs was niet geweldig vertegenwoordigd in het binnenland vroeger. Toen ik het plaatsingsbeleid overnam waren er 18 openbare scholen in het totale binnenland. Ik heb dat aantal in 2016 kunnen brengen naar 43. Voor 2006 was er geen enkele muloschool in Sipaliwini, nu zijn er drie!” Zoals sommigen weten, en uit een vorig Parbode-artikel te halen valt, waren het de schoolbesturen  van EBG en RK die voornamelijk scholen hadden in het binnenland. Deze twee schoolbesturen schijnen een ongeschreven regel te hebben toegepast dat nieuw-afgestudeerden van de Kweekschool drie jaren naar een district moesten. Toen het openbaar onderwijs de derde speler werd op het onderwijsveld in districten,  werd dit systeem  min of meer overgenomen, nog steeds zonder daar een wettelijke grondslag aan te geven, dus een verplichting is het nooit geworden.

Puntensysteem

De toelages, die wel allemaal een wettelijke grondslag hebben, zijn van algemene aard, legt Eersteling uit: “Ze zijn bestemd voor alle ambtenaren die naar het binnenland worden gedetacheerd, niet uitsluitend voor onderwijzend personeel.”

Hij vertelt:

Er is een standplaatstoelage, een nominaal bedrag van 90 srd, en een ontberingstoelage van toentertijd 50 surinaamse guldens. Maar toen onze munteenheid veranderde in Surinaamse dollars en er drie nullen van alle bedragen afgingen, veranderde die 50 gulden daardoor in 5 surinaamse dollarcent. Wij wilden die toelage afschaffen en stelden een ontwikkelingspremie voor variërend van 15 tot 45% van het bruto-salaris; die is er gekomen.

Maar ja, omdat de wet op de ontberingstoelage van algemene aard is en niet specifiek voor het onderwijs, zou er een complete wetswijziging aan te pas moeten komen, en dat is nooit gebeurd, waardoor die 5 cent nog steeds op de slips staat.”

We willen weten hoe het percentage voor de ontwikkelingspremie bepaald wordt.

“Er is een puntensysteem ontwikkeld: hoe minder voorzieningen, en hoe verder af van een verstedelijkte kern, hoe hoger het aantal punten dat een bepaalde onderwijspost krijgt toebedeeld. Vanaf 31 punten komt men in aanmerking voor de toelage. Daarom komen ambtenaren in Moengo, als verstedelijkt gebied in het binnenland, niet in aanmerking voor de premie, maar ambtenaren in Patamacca op 23,6 km afstand wel, want die plaats heeft meer dan 30 punten. En die punten heeft Patamacca niet alleen te danken aan de afstand tot de dichtsbijzijnde verstedelijkte kern, maar ook aan de afwezigheid van voorzieningen zoals een politiepost, een medische post, banken en dergelijke.”

Belangrijk  te vermelden is ook nog dat de  ontwikkelingspremie in de eerste plaats bestemd is voor plaatsen in het binnenland, waarmee wordt bedoeld  de woonplaatsen van in stamverband levende groepen.

Dan is er nog een andere toelage, een waar de laatste jaren regelmatig veel over te doen is: de Sipaliwini-toelage. Eersteling legt uit: “Kijk, wij wilden op een bepaald moment de ontwikkelingspremie laten verhogen. Dat ging niet door, onder andere omdat de in diezelfde periode door ex-president Bouterse ingestelde Taskforce Onderwijs, onder voorzitterschap van wijlen Eddy Jozefzoon, zich met de premie zou gaan bezighouden. Jozefzoon had een andere theorie over wat te bestempelen is als ‘binnenland’.

Waar ik voor het vaststellen van de ontwikkelingspremie mij voornamelijk basseerde op demografische gegevens zoals de aanwezigheid van in stamverband levende volkeren, ging Jozefzoon uit van een puur geografische benadering: uitsluitend het district Sipaliwini bestempelt hij als binnenland. Toen kregen de ambtenaren in Sipaliwini dus een extra toelage - ik geloof dat die 60 procent van het brutoloon bedraagt  - bovenop de andere.”

We begrijpen dat de Sipaliwinitoelage in de plaats had moeten komen van de ontwikkelingspremie, maar omdat  aan gedetacheerden in plaatsen die in de nieuwe benadering niet tot het binnenland behoorden,  een eenmaal toegewezen premie niet ontnomen kon worden, werd de Sipaliwinitoelage er bovenop gegooid, waardoor ambtenaren in Sipaliwini beide krijgen. We hoorden overigens ook nog de klacht dat sommigen al langer dan een jaar werken, maar de toelages nog niet ontvangen omdat die nog niet verwerkt zouden zijn. Geen onbekende situatie binnen het ambtenarensysteem in Suriname.

Onderweg.vanuitAtjoni.naar.de.dorpenOnderwijzers in Sipaliwini, maar ook velen in Brokopondo en Marowijne  ontvangen dus meer dan 100 procent van hun brutoloon aan toelages. Lesgeven in die gebieden lijkt daardoor - als je de afwezigheid van electriciteit, stromend water, politiebescherming en allerhande levensmiddelen voor lief zou nemen – een lucratieve bezigheid te zijn. Er gaan inderdaad nog steeds leerkrachten speciaal naar het binnenland om er te kunnen sparen, zoals mijn moeder deed 50 jaar geleden. Hoe komt het dan toch dat het nog steeds zo moeilijk lijkt om voldoende gekwalificeerde leerkrachten te vinden voor het binnenland? Of lijkt dat maar zo? “Dat is maar gedeeltelijk zo”, volgens Eersteling. Hij vervolgt: “Het is ons gelukt, tot 2016, om op de meeste openbare scholen in ieder geval volledig gekwalificeerde schoolleiders te hebben. En in de onderbouw had in 2016 meer dan 90 procent van de leerkrachten een afgeronde Kweek-A opleiding. De overall-percentages van gekwalificeerde tegenover niet-gekwalificeerde krachten zijn 77 tegenover  23 procent.

Mondiaal

Eersteling: “Maar, om een duidelijk antwoord te geven op de vraag; ik vind dat het niet een Surinaams probleem is. Het is een mondiaal probleem. Ik ben twee keer in Guyana geweest om daar het onderwijs in het binnenland te bekijken. Zij hebben daar het voordeel dat ze op afstand de leerkrachten kunnen opleiden, die dan examens komen doen in Georgetown. In Frans Guyana, daar ben ik ook een paar keren geweest, zijn de meeste leerkrachten niet bevoegd. En van de bevoegde leerkrachten is 40 procent niet-lokaal. Dat betekent, dat hetzelfde beeld dat je hier ziet van urbanisatie, de trek vanuit de rurale gebieden naar stedelijke gebieden, dat zelfde beeld zie je overal. Het kernprobleem is dat je mensen, vooral jonge mensen niet makkelijk vanuit stedelijke gebieden krijgt om te gaan werken in afgelegen gebieden. Gebrek aan vertier, onveiligheid, malaria, dat zijn enkele argumenten die gebruikt worden. Maar zoals ik eerder zei, ondanks deze en andere argumenten hebben we het percentage bevoegden in het binnenland kunnen opkrikken naar 77 procent. Dit percentage zal verder toenemen, omdat Paramaribo min of meer verzadigd is.”

Pinaren

Financieel gaat het dus niet heel slecht met de onderwijskrachten in het binnenland; ook het aantal volledig bevoegde leerkrachten is behoorlijk gestegen in de afgelopen jaren. Toch horen we steeds vaker dat er mensen zijn die helemaal niet aan sparen toekomen, maar het leven in het binnenland bestempelen als pinaren, armoede of gebrek lijden.  

We moeten even stilstaan bij het woord pinaren. Het is de vernederlandste vorm van het Srananwoord pina, en is hoogstwaarschijnlijk terug te voeren op het Nederlandse woord penarie, dat ook wel voorkomt als penurie en pinarie. Het Nederlands heeft dit woord uit het Frans, ‘pénarie’ of het Latijn, ‘penuria’. Het betekent in alle brontalen armoede, gebrek lijden, of in de ellende zitten. In Suriname is dat niet anders: Pinaren heeft als eerste betekenis financieel gebrek lijden. Maar urenlang in de zon op een bus staan wachten is ook pinaren, in het binnenland als stedeling geen toegang hebben tot stromend water is pinaren, plotseling verstoken zijn van electriciteit of internettoegang is ook pinaren.

Schoolgebouw Manlobi

Onderzoek

We deden een onderzoekje om te weten te komen wat leerkrachten zelf vinden van het leven als onderwijsgedetacheerde: sparen of pinaren. Het onderzoek bestond uit een vragenlijst die we aan twintig stuks gedetacheerde leerkrachten uit de districten Sipaliwini en Brokopondo voorlegden. Door de corona-pandemie en een mini-watersnood, waardoor scholen niet open gingen en leerkrachten niet naar hun standplaats konden, liep het onderzoek aanzienlijke vertraging op. Tenslotte lukte het ons toch, met behulp van een extra informant, een twintigtal leerkrachten bereid te vinden aan deze enquete mee te doen. Daarnaast werden de zelfde leerkrachten aan een iets uitgebreider interview onderworpen, die op de band werden opgenomen. Zodoende hadden we de korte  antwoorden op papier en heel veel extra informatie op de band. Uit de antwoorden is al gauw op te maken dat zelfs toelages van 45 en 60 % de ellende nauwelijks kunnen verhullen. Leerkrachten voelen zich in de steek gelaten, aan hun lot overgelaten en vinden dat het ministerie beter op hen moet letten.  De klachten zijn legio: toegangswegen zijn jaren niet onderhouden en men moet door modder ploeteren om op de hoofdweg te komen; onderwijzerswoningen zijn al jaren aan reparatie toe; schoolgebouwen staan op instorten, schoolerven groeien dicht van het onkruid; medische voorzieningen zijn (vooral bij ernstige ongevallen en ziekte) niet goed geregeld; de electriciteit valt veel te vaak uit.

Juf Louise Albitouw uit Manlobi:

Al meer dan twee maanden moet ik mijn lesvoorbereidingen direct na school maken, want als ik wacht tot 7 uur zie ik geen hand voor ogen meer, niet één dag, niet 2 dagen, neen, wekenlang, aan een stuk door!” Een andere ongelofelijke kwestie doet zich voor in de onmiddellijke omgeving van grote internationale goudbedrijven, zoals in Goninikriki.

Juf Sipora Ajauwna:

Als ik een softdrank lust, moet ik daar  euro’s voor betalen, twee euro vijftig! Als ik een kippeboutje wil kopen, één maar hoor, want ik heb geen stroom om meer dan dat te kunnen invriezen, kost dat mij twee euro. We verdienen geen euro’s!”

Mevrouw Ajauwna is  blij dat ze haar hart kan luchten:

De overheid moet echt meer gaan doen voor leerkrachten in het binnenland. De gebouwen, zowel scholen als woonhuizen storten bijna in, we hebben om de haverklap stroomuitval, soms weken- en maandenlang, ook de durotanks (voor opslag van drinkwater ... red.) van de leerkrachten zijn niet goed. Het is dat ik van het binnenland, de natuur en de mensen houd, anders was ik allang weg. En waarom worden er geen zonne-panelen geplaatst op de onderwijzerswoningen en de schoolgebouwen? Als de Medische Zending dat kan doen voor artsen en verpleegkundigen, dan moet dat toch ook voor ons kunnen?!”

schoolgebouw DrietabikiKlaslokaal Drietabiki zonder plafondWe stappen opnieuw naar de heer Eersteling voor zijn reactie op de vele klachten. “Tja, het is een kernprobleem, het slechte onderhoud van de woningen. Maar laat me proberen uit te leggen hoe dat zo gekomen is. Ik vertelde al dat het openbaar onderwijs oorspronkelijk slecht vertegenwoordigd was in het binnenland. Dus ook het aantal woningen en schoolgebouwen was behoorlijk laag. Ik heb het aantal woningen bijvoorbeeld, in mijn periode, opgetrokken van 150 naar bijna 400 woningen. Het zijn prachtige woningen, stenen woningen met 1 of 2 of 3 slaapkamers, maar ze hebben onderhoud nodig. Het onderhoud  valt onder de technische dienst van het ministerie. Afdeling BOB heeft daar geen invloed op.”

Eersteling heeft wel altijd geprobeerd het contact tussen het hoofd technische dienst en de leerkrachten zo goed mogelijk te accomoderen. De klachten moeten eigenlijk door BOB worden doorgespeeld naar de technische dienst, maar de leerkrachten mochten van Bert ook zelf bellen.

“Maar ondanks dat moet ik toegeven: de klachten die de leerkrachten aan u hebben doorgegeven, zijn waar; er is een achterstand in onderhoud, het onderhoud komt altijd te laat.” En hij voegt eraan toe: “We zijn slecht in onderhouden in Suriname.” In hoeverre bestaat er regulier onderhoud of reparatie, willen we weten. Moet er altijd eerst een klacht komen of worden woningen tussen twee verschillende bewoners in, regelmatig even nagelopen? Eersteling vertelt dat dat laatste niet het geval is, vanwege de afwezigheid van een onderhoudsplan: “Dus ... eeh, ik wil de schuld niet geven aan de technische dienst of welke afdeling dan ook, maar als er nieuwe woningen worden opgeleverd dan moet je een onderhoudsplan hebben toch? En in dat onderhoudsplan zou moeten staan wat het onderhoudsaandeel van de bewoner is, en wat de bijdrage is vanuit de technische dienst.  De technische dienst is bij uitstek de afdeling die een dergelijk plan zou moeten opstellen. Maar dat plan bestaat niet.”

BOB vroeg zonnepanelen

De klacht, of beter gezegd het voorstel dat alle scholen en onderwijzerswoningen zonnepanelen zouden moeten krijgen kwam op de tweede plaats uit onze enquete rollen. We begrijpen dat het niet de taak is geweest van BOB, maar wat vindt Bert Eersteling van het idee? Hij lacht hartelijk. “Het is niet onze taak, nee, maar toch zijn wij het geweest die het initiatief hebben genomen om een voorstel aan de directeur van onderwijs te doen om alle scholen en alle onderwijzerswoningen te voorzien van zonnepanelen, volgens het model van de Medische Zending. Want de leerkrachten die zien de gebouwen van MZ he! Bijvoorbeeld op Ladouani (waar er een uitgebreide medische post annex ziekenhuis is ...red.), daar hebben de woningen van verpleegkundigen zonnepanelen terwijl de leerkrachten het moeten doen met een petroleumlamp na 23 uur ‘s avonds of zodra er geen brandstof is voor de lichtmotor.”

Overigens zijn er twee dorpen waar de scholen en woningen wel zonnepanelen hebben: Alalapadu en Sipaliwini. “Er is in die dorpen door een stichting van mevrouw Asha Schalkwijk een twinningproject ingediend, en daar zijn toen direct zonnepanelen bij inbegrepen. Het was niet ons eigen project maar het idee van zonnepanelen is een pracht van een idee! Kijk, alle dorpen hebben een aggregaat, of een lichtmotor, en sommige dorpen hebben tegenwoordig zelfs 24 uur per dag electriciteit. Het lastige is dat die lichtmotoren stuk kunnen gaan en bovendien afhankelijk zijn van brandstof die uit Paramaribo moet worden aangevoerd.”

Over brandstof en lichtmotoren

Op Manlobi is er al bijna drie maanden onafgebroken geen electriciteit. Betekent dat dat er daar al drie maanden geen brandstof is geleverd? Welk deel van de overheid is daar verantwoordelijk voor? “Het is het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, dat, los van het ministerie van Onderwijs, aan alle dorpen brandstof levert”, zo vertelt Bert Eersteling ons. Eersteling weet niet precies waar deze specifieke stagnatie aan te wijten is, maar “in het verleden is er vaker, soms wel zes maanden lang, soms een jaar lang, geen brandstof geleverd aan delen van het binnenland.” Op de vraag waarom die brandstof dan niet geleverd wordt, heeft het voormailge afdelingshoofd niet een twee drie een antwoord klaar. Als we blijven aanhouden komt de ons welbekende reden boven tafel: “Financiële problemen van de overheid.”

Toelages moeten hoger

Zelfs met meer dan 100 procent aan toelages blijkt een Surinaams salaris onvoldoende om voor drie of meer maanden levensmiddelen aan te schaffen. Verschillende leerkrachten leggen uit dat als ze na een vakantie in Paramaribo terug moeten naar hun standplaats ze voor drie maanden levensmiddelen moeten meenemen die ter plaatse niet of tegen veel te hoge prijzen te verkrijgen zijn. Dat lukt niet uit  één salaris. Dit geldt des te meer voor mensen die de Sipaliwini-toelage niet ontvangen. Bert Eersteling heeft daarom, voor zijn pensionering ideeën geopperd voor verhoging van zowel de standplaatstoelage als de ontwikkelingspremie. “Helaas is mijn voorstel voor de verhoging van de standplaatstoelage  gestuit op de algemene aard ervan. Het ministerie van Onderwijs alleen kan een dergelijk voorstel niet indienen. Je moet alle andere ministeries erbij betrekken.”

Maar het voorstel voor verhoging van de ontwikkelingspremie ligt er nog en wordt opgepakt door Berts opvolger, Patricia Daniel. “Ik heb voorgesteld dat de premie die eerst 15 procent was, gaat naar 25 procent, die van 25 naar 38, die van 30 naar 48 en tenslotte moet de premie van 45 naar 60 procent.”

Sparen of pinaren

“Als ik zeg pinaren, ga ik die andere leerkrachten die nog moeten komen, demotiveren, dus ik kies dan maar voor sparen”, beredeneert juf Rachel Westenburg van de openbare school in het dorp Victoria haar antwoord op onze laatste vraag. Ze behoort tot de groep van vier personen die als eindconclusie ‘sparen’ noemt, en heeft op de vraag ‘Welke voorziening vind u geweldig?

Eerst smakelijk gelachen en dan antwoordt ze: “Niets”.

Het overzicht van de antwoorden op de laatste vraag geven een goed beeld van het sparen-pinaren dilemma: Behalve mevrouw Westenburg zeggen nog drie andere ondervraagden: sparen, hoogstwaarschijnlijk omdat tweemaal zoveel loon ontvangen als de collega’s in de stad, niet echt ruimte schijnt te laten voor financieel gebrek lijden. Drie personen antwoorden dat er noch gespaard noch gepinaard wordt, terwijl 13 van de 20 volmondig zeggen: pinaren. Je kunt namelijk zoveel geld hebben als je wil. Maar wat als je voor een flesje softdrink 50 srd moet betalen in plaats van 15(in Paramaribo)? En wat als je de hele dag in de verzengende hitte onder een zinken dak les moet geven omdat je lokaal langer dan een schooljaar geen plafond heeft? En wat als je op de meest onzalige momenten geen electriciteit hebt en je voor de zoveelste keer je uit Paramaribo gebrachte vleeswaren moet weggooien? Dan spreken we in Suriname van pinaren.

Bijgebouw school DrietabikiSamenvattend zien we het volgende beeld: Voornamelijk door de inzet van het Bureau Onderwijs Binnenland, tot 2016 onder leiding van Egbert Eersteling, heeft het openbaar onderwijs in het binnenland van Suriname een waardige plek opgeeist. En wel op een zodanige manier dat we  in twintig jaar tijd ongeveer 30 scholen en 250 onderwijzerswoningen rijker zijn geworden.

Door de jaren heen is er van overheidswege - mede door Eersteling -  steeds belangstelling geweest voor de  financiële tegemoetkomingen aan mensen die het comfort van paramaribo achter zich laten om in het soms zeer diepe binnenland van Suriname te gaan helpen bij de ontwikkeling van onze jeugd.  

Tegelijkertijd zien we dat diezelfde overheid een diepe onvoldoende verdient als het gaat om de meest basale voorzieningen voor onze onderwijshelden zoals electriciteit, stromend water en goed onderhouden gebouwen. Daarom dat in onze bescheiden steekproef van 20 leerkrachten uit verschillende dorpen meer dan de helft vol overtuiging de onderwijssituatie typeert als: pinaren.


Dit artikel is tot stand gekomen met ondersteuning van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten

Dit artikel is tot stand gekomen met ondersteuning van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten