Het Herdenkingscomité Slavernijverleden, NiNsee en het Nationaal Slavernijmuseum zaten donderdag aan tafel met minister-president Rob Jetten en twee ministers. Het gesprek ging over gezamenlijke verantwoordelijkheid en over hoe die structureel verankerd kan worden.
In een persoonlijke kennismaking spraken vertegenwoordigers van drie maatschappelijke instellingen met minister-president Rob Jetten, minister van Binnenlandse Zaken Pieter Heerma en minister van Buitenlandse Zaken Tom Berendsen over het slavernijverleden en de doorwerking daarvan in het heden. Het overleg werd omschreven als open en constructief, met ruimte voor reflectie, erkenning en samenwerking.

Aan tafel zaten onder meer Paulo Martina (directeur Herdenkingscomité Slavernijverleden), Astrid Elburg (voorzitter Herdenkingscomité Slavernijverleden), Dave Ensberg (voorzitter NiNsee), Bianca Groen Gallant (directeur-bestuurder NiNsee), John Leerdam (directeur-bestuurder Nationaal Slavernijmuseum) en Bianca Sarah Tjon Atsoi (lid Raad van Toezicht Nationaal Slavernijmuseum).
Tijdens het overleg kwamen meerdere thema’s aan bod. Er werd gesproken over de rol die maatschappelijke instellingen kunnen vervullen als kennispartner en adviesorgaan van de overheid. Ook het belang van tijdige afstemming bij internationale processen rond het slavernijverleden en de erfenis daarvan werd besproken.
Alle aanwezigen onderschreven dat structureel overleg tussen overheid en maatschappelijke instellingen noodzakelijk is. Als concrete uitkomst van het gesprek werd afgesproken om minimaal één keer per jaar in dezelfde samenstelling bijeen te komen.
Herdenken betekent niet alleen terugkijken, maar ook werken aan bewustwording, verbinding en herstel in het heden — juist in een tijd van polarisatie.”
Het Herdenkingscomité Slavernijverleden zegt in een bericht op LinkedIn dat het essentieel is dat kennis, herdenken en maatschappelijke dialoog niet los van elkaar worden gezien. De organisatie benadrukt dat toekomstige generaties goed toegerust moeten worden met historisch besef en wederzijds begrip, zodat er samen gebouwd kan worden aan een gezamenlijke toekomst.
Het gesprek over het slavernijverleden en de doorwerking daarvan vraagt, aldus de betrokken organisaties, om continuïteit, zorgvuldigheid en een gezamenlijke verantwoordelijkheid die duurzaam en betekenisvol is.
