Opmars particulier onderwijs Suriname onstuitbaar

Redenen voor particuliere ouders
Redenen voor openbare ouders
Particuliere ouders over covid
Openbare ouders over covid



Opmars particulier onderwijs Suriname onstuitbaar

 

Meervoudige discontinuïteit in openbaar onderwijs valt niet te bezweren



Wat is het dat Surinaamse ouders ertoe drijft forse bedragen neer te tellen voor particulier onderwijs, terwijl openbaar onderwijs voorhanden is, en de Surinaamse dollar steeds minder waard wordt? Is dat omdat particulier sowieso beter is dan openbaar? Of omdat er bij openbaar met verouderd lesmateriaal wordt gewerkt? Of omdat de toiletten bij openbaar kapot en vies zouden zijn en niet op slot kunnen? Of omdat de economische toestand van dien aard is dat leerkrachten op openbare scholen veel te vaak en te langdurig staken? Of misschien omdat men uit Nederland komt, en de kinderen vast niet zouden kunnen aarden op een openbare school? 

Laatstgenoemde motivatie was mijn ouders aangepraat in 1970, de reden dat ik gedurende dat schooljaar de Vrije School heb bezocht. Behalve de Vrije School waren er toen de Glenn Weisz School, de Nassy Brouwerschool, de H.J. Emanuelsschool, het Vrije Atheneum en de Nieuwe school, vier voor basisonderwijs en twee voor voortgezet onderwijs. Van ongeveer zes scholen (we kunnen er eentje gemist hebben) in 1970 naar dertig particuliere basis- en middelbare scholen in 2020. In Nederland is de opmars van middelbare scholen tot rust gekomen, nu rukken daar de particuliere basisscholen op: van 35 in 2015 naar zestig in 2018. Dat is één particuliere basisschool op 283.000 inwoners, terwijl we in Suriname ongeveer een particuliere basisschool op 30.000 inwoners tellen (21 particuliere basisscholen om exact te zijn). Dat is des te opvallender als we ons realiseren hoe weinig de Surinaamse dollar waard is ten opzichte van de euro. Om precies te zijn: 1 Surinaamse dollar is 6 eurocenten waard. Surinaamse ouders moeten dus wel heel erg krom liggen om anno 2020 particulier onderwijs te betalen, temeer daar de meeste ouderbijdragen in euro’s zijn of tenminste daarop gestoeld zijn. Dit artikel probeert een antwoord te formuleren op de vraag waarom de Surinaamse ouder zoveel over heeft voor particulier onderwijs. Daartoe werd een focusgroep bij elkaar gebracht via Zoom, en ook werden er enquêtes gehouden onder ouders van leerlingen op particuliere scholen en onder ouders van leerlingen op openbare scholen. In het vervolg van dit artikel zal voor het gemak steeds gesproken worden van openbare ouders en particuliere ouders. Ten slotte legden we de enquêtevragen ook voor aan enkele oprichters van particuliere scholen. 



Focusgroep

Aan de focusgroepmeeting, die in juni 2020 werd gehouden, deden de volgende personen mee: Karin Brunings, ouder van twee privéschoolkinderen, parttime leerkracht op een particuliere basisschool voor inclusief onderwijs, en oprichter van een particuliere middelbare school; Jolanda Hokstam, oprichter en schoolleider van de particuliere Stichting Kangoeroe Community School, een geheel van kinderopvang, naschoolse opvang, basisschool en middelbare school; Allan Li Fo Sjoe, pedagoog, lerarenopleider, oud-minister van Onderwijs, oud-vervangend voorzitter van het bestuur van de Universiteit van Suriname, voor en na zijn pensionering op het ministerie belast met ontwikkeling en invoering van nieuwe onderwijsmethoden; Robby Morroy, oud-directeur van het Instituut voor Taalonderzoek en Taalontwikkeling (IvTeT), oud-cursusleider Engels op de lerarenopleiding, voorstander en trekker van onderwijsvernieuwingen, wetenschappelijk onderzoeker op onderwijskundig gebied; Stephanie Tai-Apin, oud-inspecteur van Onderwijs, bijlesdocente Wiskunde, na haar pensionering consultant voor het ministerie van Onderwijs met name met betrekking tot de opleiding ‘De nieuwe Leerkracht’.



We bespraken in de focusgroep de resultaten die uit een vooronderzoek waren gekomen. Een van die resultaten was dat voor de ouders de discontinuïteit van het onderwijsproces vanwege onderwijzersstakingen niet de hoofdreden voor een particuliere keuze was. De redenenen die het vaakst aangekruist werden, waren de slechte staat van gebouwen, erven en toiletten, het verouderde lesmateriaal en het feit dat de kinderen aan speciale onderwijszorg behoefte hadden. Ook andere redenen werden aangekruist. Zelfs de reden: ik heb genoeg geld, dus waarom niet? Er kan dus op basis van het vooronderzoek heel moeilijk een hoofdreden worden gedistilleerd. Wat de eigenlijke, onderliggende hoofdreden zou kunnen zijn, daarover waren de meningen in de focusgroep aanvankelijk verdeeld. 

Hokstam vindt dat leerkrachten zich onvoldoende laten bijscholen: “Ik heb bijna een hele pedagogische academie binnen mijn lerarenkorps moeten opzetten.” 

Li Fo Sjoe: “Iedereen wil dat zijn of haar kind het beste onderwijs krijgt. En omdat particuliere scholen als bedrijven worden gerund, verwacht elke ouder daar beter onderwijs.” 

Brunings: “Toen ik uit Nederland kwam en de boeken zag waaruit ik 35 jaar geleden les heb gehad – ze waren toen al niet nieuw hoor – wist ik: mijn kinderen zouden naar een particuliere school gaan.” 

Mijn eigen opvatting dat de gruwel van onhygiënische toiletten op een bepaalde technische school vooral voor meisjes een reden tot consequent spijbelen is, en daarmee voor hun ouders een reden voor een particuliere school, wordt met klem weersproken door oud-onderwijsinspecteur Tai-Apin: de toiletten van de school waarover het gaat zijn regelmatig geïnspecteerd, en dus netjes.

Onvoldoende (bij)scholing dus, verouderd lesmateriaal, het beste willen voor je kind; elk van de aanwezigen noemt een andere reden, maar discontinuïteit vanwege onderwijzersstakingen is er niet bij, en af en toe spreken we elkaar flink tegen. Toch wordt langzaam maar zeker duidelijk dat de hoofdreden (volgens de focusgroepleden) om te kiezen voor particulier, wel degelijk over discontinuïteit gaat, maar niet alleen die vanwege onderwijsstakingen. We komen tot de ontdekking dat er op meerdere vlakken gebrek aan continuïteit is: met betrekking tot de gebruikte methodes, het verwisselen van ministers, het niet-toepassen van in conferenties geleerde en afgesproken zaken, de ontoegankelijkheid (vanwege gebrek aan hygiëne) van toiletten op sommige scholen, en natuurlijk ook de onderwijzersstakingen. Die discontinuïteit zorgt voor onzekerheid; ouders weten nooit hoe het veld er morgen zal uitzien. Een duidelijk voorbeeld vormen de recentste methodes voor de basisschool, met vooral voor de vakken rekenen en taal een totaal andere aanpak. Als de kinderen in groep 6 aangekomen zijn, blijkt de leerstof voor de bovenbouw ‘niet beschikbaar’ te zijn, en moeten alle kinderen terug naar de oude methode, maar vooral naar de oude, beduimelde en gescheurde boekjes. Morroy geeft een ander voorbeeld van discontinuïteit en vertelt over de vernieuwing van het mulo-schoolonderzoek Engels dat hij, als directeur van IvTeT ruim dertig jaar geleden heeft opgezet. Onderdeel van het zeer goed ontvangen programma was een jaarlijkse ‘refreshing sessie’ van een halve dag voor de betrokken leerkrachten. Het IvTeT is ondertussen door de toenmalige minister van Onderwijs opgeheven, Morroy is met pensioen, en de jaarlijkse training bestaat allang niet meer, hoewel Morroy meer dan bereid is om die te verzorgen. Daardoor komt er meer en meer de klad in het vernieuwde schoolonderzoek. Morroy: “We hebben er toen nog zo voor gewaarschuwd dat de jaarlijkse refreshing noodzakelijk zou blijven voor het welslagen van de nieuwe manier van schoolonderzoek." Van Morroy komt de stelling:

"Er is in ons onderwijssysteem geen continuïteit van beleid, politieke visie, of inhoud.”



Wat vinden ouders

Het gaat volgens kenners dus niet om discontinuïteit van het onderwijsproces vanwege stakingen, maar om een meervoudige discontinuïteit vanwege hogerhand. Van de voor dit artikel ondervraagde particuliere ouders geeft slechts vijftien procent veelvuldige stakingen als reden op voor hun particuliere keuze. Bij de openbare ouders is dat al meer: daar zegt ongeveer een derde deel dat als ze zouden kiezen voor particulier, de discontinuïteit vanwege stakende leerkrachten de doorslaggevende reden zou zijn. Het lijkt erop dat stakende leerkrachten wel de reden kunnen vormen voor de aanvankelijke keuze, maar dat men zodra men in de particuliere wereld is aangekomen, die reden vergeet. Een ding is duidelijk: stakende leerkrachten, hoe verfoeilijk ook, staan in geen van beide groepen ondervraagde ouders bovenaan de lijst van redenen voor een particuliere keuze.



De redenen voor particuliere ouders:

26% vindt klassen te groot; 24.7% vindt lesmateriaal verouderd; 20.5% wil aansluiting buitenland; 15.1% vindt dat leerkrachten te vaak staken; van 9.6% heeft het kind extra zorg nodig; 4.1% is verdeeld over andere redenen.

 

 

 

 

 

 

 

De redenen voor openbare ouders:

35.3% vindt lesmateriaal verouderd; 29.4% vindt dat leerkrachten te vaak staken; 11.8% zat als kind zelf op een particuliere school; 9.8% vindt toiletten onhygienisch; van 6% heeft het kind extra zorg nodig; 7.7% is verdeeld over andere redenen.

 

Wat mag het kosten?

De helft van de ondervraagde openbare ouders wil graag minder dan SRD 500 per maand betalen in geval hun kind particulier zou schoolgaan. Uit de reacties van de particuliere ouders weten we echter dat slechts een kwart van hen SRD 500 of minder betaalt. De rest betaalt meer, veel meer. Een derde deel van de particuliere ouders betaalt namelijk tussen de SRD 500 en SRD 1000 maandelijks; veertig procent van de mensen moet een bedrag tussen de SRD 1000 en SRD 1500 ophoesten, en er zijn zelfs ouders – drie procent van de ondervraagden – die een bedrag van meer dan SRD 1500 per maand betalen. Dit geeft simpelweg aan dat er meer vraag is voor schoolgeld tot SRD 500, dan aanbod. Onvoldoende financiële middelen zouden dus de belangrijkste reden moeten vormen voor openbare ouders. Maar als hen expliciet ernaar gevraagd wordt, geeft maar 20 procent die reden op. Op dezelfde vraag zegt 30 procent: ik vind de openbare school waarop mijn kind nu zit, prima. De resterende 50 procent wordt ingevuld met verschillende redenen, die mogelijk allemaal zeggen wat de eerder genoemde 20 procent zegt. Een overzichtje van de redenen binnen de resterende helft:

- de afstand tot particuliere scholen is te groot, wat zou kunnen betekenen dat de extra vervoerskosten niet op te brengen zijn; 

- de particuliere school van mijn keus had geen plaats meer, wat zou kunnen betekenen dat de beter betaalbare scholen geen plaats meer hadden; 

- kinderen op particuliere scholen vertonen snobistisch gedrag, wat zou kunnen betekenen dat er geen extra geld is om met alle grillen en vlagen van de jeugd mee te doen; 

Het ziet ernaar uit dat niet 20, maar 70 procent van de ondervraagde openbare ouders graag particuliere ouder had willen zijn, maar dat niet is, vanwege de financiën. Een gegeven dat haast nog verontrustender is dan het feit dat Suriname op elke 30.000 burgers 1 particuliere basisschool kent. 

COVID-19

Dit onderzoek werd uitgevoerd in COVID-19-tijd. En omdat COVID-19 een discontinuïteitsfactor bij uitstek is, voegden we een COVID-19-vraag toe aan de enquête. Die vraag combineerden we met de reacties op de vraag naar de belangrijkste reden voor een particuliere keuze. Aan particuliere ouders vroegen we: ‘Bent u tevreden over de lesaanpak tijdens de COVID-19-periode?’ We maakten van de antwoorden onderstaande staafdiagram.



Wat we eruit aflezen, is dat het overgrote deel van particuliere ouders tevreden is over de COVID-19-aanpak op ‘hun’ school. Binnen die groep zijn diegenen die vinden dat openbare leerkrachten te vaak staken, het meest tevreden. De enkele respondenten die helemaal niet tevreden zijn, zijn respondenten die zich primair richten op vervolgonderwijs in het buitenland. Particuliere ouders wiens kinderen speciale onderwijszorg nodig hebben, zijn het minst tevreden over de COVID-19-aanpak.



Aan openbare ouders werd een aantal stellingen voorgelegd, waaruit ze die stelling konden kiezen die het beste bij ze past. Ze mochten ook een eigen stelling bedenken.





Rechts naast de staafgrafiek staan de stellingen die door de openbare ouders aangekruist zijn. De vaakst gekozen stelling in alle subgroepen is: Om dit soort lesonderbrekingen wil ik een particuliere school voor mijn kind. Ouders die vinden dat leerkrachten te vaak staken, kiezen logischerwijs, het vaakst voor deze stelling. Hiermee wordt duidelijk dat discontinuïteit (=dit soort lesonderbrekingen) de echte onderliggende reden is voor een eventuele keuze voor particulier onderwijs.



Betaalbaar

Dit onderzoek bestond, naast het focusgroep-interview uit twee enquêtes, een voor particuliere en een voor openbare ouders. De bedoeling was ongeveer honderd antwoorden van elke groep binnen te krijgen via een e-mail met daarin de enquêtes. Dat schijnt niet de juiste manier te zijn, want na een week waren er negen antwoorden binnen en na twee weken dertien. Een herinneringsmail later stond de teller op veertien particuliere en twee openbare respondenten. Toen is besloten om de mensen telefonisch te enquêteren, wat wonderlijk genoeg een zeer succesvolle aanpak bleek te zijn. In totaal hebben 51 openbare ouders en 74 particuliere ouders meegedaan.

Aan deze uiteindelijke enquêtevorm hebben we het te danken dat we behalve antwoorden op de vragen ook een schat aan vrijwillige adviezen, ideetjes en oplossingsmodellen – bijna allemaal ten gunste van het openbare onderwijs! – hebben kunnen noteren. Want telefonisch enquêteren duurt wel wat langer, omdat van de ene tori (torie = verhaal/babbel) altijd een andere tori komt, maar daarmee worden respondenten wel in staat gesteld vanuit hun maatschappij- en onderwijsvisie meer achtergrond te geven bij hun antwoorden.   

Bij de vraag of er meer particuliere scholen bij moeten in Suriname, kwam verrassend vaak, van zowel openbare als particuliere ouders het antwoord:

‘Ja, maar wel tegen een betaalbaar tarief’.

Hoewel betaalbaar voor de een iets heel anders kan betekenen dan voor de ander, maakt dit antwoord duidelijk dat men zich bewust is van de financiële ongelijkheid binnen de samenleving. Over het verschil tussen wat de meeste mensen het liefst betalen en de daadwerkelijke bedragen die neergeteld moeten worden, is eerder in dit artikel al gesproken. 

Antwoorden op de vraag wat het openbaar onderwijs zou kunnen doen om de particulieren enigszins bij te benen leverden niet alleen de gebruikelijke adviezen op van leerkrachten beter (bij)scholen, betalen en motiveren. Van verschillende zijden kwam het idee dat het openbaar onderwijs samenwerkingsverbanden zou kunnen aangaan met particulieren, zodat niet het wiel opnieuw uitgevonden hoeft te worden. Ook oudercommissies, die op veel particuliere scholen normaal zijn, worden gezien als een manier om uit de neerwaartse spiraal te breken. Verder missen respondenten zorgcoördinatoren of vertrouwenspersonen op zowel particuliere als openbare scholen. Ook over onvolledig bevoegde leerkrachten klagen beide groepen ouders. Een belangrijke uitspraak met betrekking tot de covid-situatie luidde:

"Openbare scholen zijn niet ready voor afstandsonderwijs; ze moeten niet doen alsof."

Een observatie die niet vanuit de respondenten is gekomen, maar uit de loop van het onderzoek, is dat het ministerie geen aparte afdeling heeft om particuliere scholen te begeleiden, of te controleren. Jaren geleden is er wel een afdeling geweest die over niet-regulier onderwijs ging (zoals kappersscholen), maar die is ondertussen opgeheven, waardoor startende particuliere scholen geen aanmeld- of aanspreekpunt hebben. Met name voor leerlingen op Nederlandse scholen, levert dit gegeven wel eens problemen op, zoals we in 'Rechtsvacuum van Nederlandse scholen' kunnen lezen. Het artikel verscheen in 2012 in Parbode. Officieel vallen (de niet-Nederlandse) particuliere scholen wel onder de afdeling Inspectie, en van oud-inspectrice Tai-Apin vernamen we dat die ook daadwerkelijk inspecties pleegt op particuliere scholen. Dat schijnt overigens niet heel vaak het geval te zijn: één keer per jaar is de schatting.



Te veel particuliere scholen?

Particuliere scholen zijn vaak een verrijking in een samenleving. Ze zorgen voor de opvang, begeleiding en educatie van kinderen die anders buiten de boot zouden vallen. Denk aan kinderen met lichte leer- en gedragsstoornissen, die net dat beetje meer aandacht of net die iets andere aanpak nodig hebben om tot bloei te komen. Of aan kinderen die muzikaal of anderszins extra begaafd zijn en daar op een openbare school niets mee kunnen. In Nederland vinden we veel voorbeelden van aparte benaderingen van het onderwijsproces. Er zijn scholen die in en met de natuur van bijvoorbeeld een boerderij leven, en rekenen en taal verzorgen aan de hand van het zelf scheren van schapen, de wol wegen, verven en verkopen. In Suriname zien we deze extreme onderwijs-opvattingen nog niet terug in onze privéscholen. Bij ons gaat het nog vaak om die gebieden waar het openbare onderwijs steken laat vallen. 

Kan een teveel aan privéscholen in een samenleving ook negatief zijn? In Nederland vindt parlementslid Futselaar de opkomst van particulier onderwijs ‘spijtig’ en een ‘verontrustende ontwikkeling’. Het fenomeen zorgt volgens hem voor een steeds groter wordende onderwijsongelijkheid. Li Fo Sjoe benoemt die onderwijsongelijkheid als de gap tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’, die alleen maar groter wordt bij een teveel aan particuliere scholen.  Volgens Hokstam worden de idealen van het onderwijs geschaad als er door een teveel aan particuliere mogelijkheden, concurrentiestrijd onder scholen, en keuzeproblemen onder ouders ontstaan. Morroy zegt: “In een samenleving waar er vrijheid van onderwijs is, en je duidelijke doelen hebt, wil je die vrijheid van onderwijs inperken door dwingende eisen aan inhoud en manier van overdracht te stellen. Wanneer er in die situatie te veel particuliere scholen zijn, dan dreigen dergelijke doelen te verwateren.”



Wel plaats voor particulier

Dat betekent volgens Morroy overigens niet dat er geen plaats is voor particuliere scholen, maar wel dat de overheid met veel meer gezag kan eisen dat die scholen zich aan de nationale doelen committeren. In Nederland zei Futselaar in 2017: ‘Ik vind dat we moeten investeren in ons (basis)onderwijs en moeten zorgen dat die scholen hun klanten kwijtraken en niet meer nodig zijn’. Ook Morroy komt tot deze conclusie: “Als je als overheid genoeg investeert in het onderwijs en het tot het belangrijkste beleidspunt maakt waarin het meeste geld wordt gestopt, dan zal het automatisch minder aantrekkelijk worden om je kind naar een school te sturen waarvoor je moet betalen, omdat de kwaliteit door openbare scholen wordt geleverd. De loopbaan van leerkracht moet aantrekkelijk gemaakt worden, zodat mensen bewust voor een carrière in het onderwijs kiezen. De overheid moet ook zo spoedig mogelijk een nationale ontwikkelingsvisie formuleren en daarvan afgeleid een nationale onderwijsvisie. Die visie moet de basis vormen voor de doelen in ons onderwijs.” Li Fo Sjoe’s antwoord op de vraag naar wat de overheid zou moeten doen: “Ik denk dat het ministerie van Onderwijs serieus zich moet gaan afvragen waarom kwaliteit, onderwijssucces en organisatie bij particuliere onderwijsinstellingen bij veel ouders de voorkeur verdient boven openbare onderwijsmogelijkheden.” Jolanda Hokstam zegt het zo:

“De overheid laat het liggen! Zij moet waken voor wildgroei en ervoor zorgen dat het geen money making business wordt.”



 

 

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten – www.fondsbjp.nl