Openingstoespraak directeur NiNsee - Urwin Vyent

Op 7 februari 2020 vond in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de zeer goed bezochte Nieuwjaarsbijeenkomst van het NiNsee plaats. Tijdens het officiële gedeelte werd de openingstoespraak verzorgd door NiNsee directeur Urwin Vyent. 


Vorig jaar, ook rond deze tijd, hadden wij het over de lange weg omhoog. En dan ging het om het gegeven dat het overwinnen van dramatische achterstelling, negatieve beeldvorming en stereotyperingen als gevolg van het slavernij- en koloniaalverleden; dat daar generaties overheen gaan. Belangrijk onderdeel van dat proces is het opeisen van het Afro-Caraïbisch aandeel in de Nederlandse geschiedenis, om medeeigenaar van die Nederlandse geschiedenis te worden.

Een geschiedenis die er dan anders uit komt te zien. En de kern van feitelijke eigenaarschap van een goed, is dat je erover kan beschikken. Dus dat je kan bepalen wat ermee gebeurt. Maar ook dat je je voordeel mee kunt doen. Bij de oprichting van het NiNsee – waar ik ook aan de wieg heb gestaan – ging het er om deze beide functies met kracht uit te oefenen over dit grote immaterieel goed; de Nederlandse geschiedenis, het hele stelsel aan verhalen over het verleden waarmee wij onszelf begrijpen en waar we onze plannen voor de toekomst op baseren. NiNsee is er dus om te maken dat ook de Afrikaanse en Afro-Caraïbische kennis en ervaring mede bepalen hoe de Nederlandse geschiedenis eruitziet en wat ermee gedaan wordt, om daar uiteindelijk ook de vruchten van te plukken.

En let wel.

Dat wij dat doen is niet alleen in het belang van de Afrikaanse en AfroCaraïbische gemeenschappen. Maar uiteindelijk is het een groot goed voor alle Nederlanders. Want wij zijn immers allen gebaat bij een volledig begrip van de Nederlandse geschiedenis en bij een samenleving waar alle mensen tot hun recht komen. Er is reden om onze historische missie en ons mede-eigenaarschap van de Nederlandse geschiedenis op te eisen, te vernieuwen en op nieuwe doelen te richten.

Want we kunnen zonder overdrijving stellen dat een belangrijke fase bij het verwerven van dat mede-eigenaarschap van de Nederlandse geschiedenis, onlangs succesvol is afgesloten. Enkele maanden geleden heeft de Tweede Kamer namelijk besloten tot toekenning van structurele subsidie voor de jaarlijkse Nationale herdenking rond de afschaffing van de slavernij.

Daarmee maakt deze herdenking eindelijk deel uit van de Nationale Herdenkingsagenda. Dit betekent dat een belangrijk deel van het mede-eigenaarschap van de Nederlandse geschiedenis, dankzij tientallen jaren ijveren door tal van activisten nu bereikt is. Er is in elk geval serieuze en permanente aandacht voor het verhaal van het Nederlandse transAtlantische slavernij- en koloniaalverleden.

Maar we zijn er nog niet. We zijn het onze voorouders en hun nazaten verplicht om door te gaan. We willen helder krijgen wat die geschiedenis inhoudt. We willen erkend krijgen hoe belangrijk dat is en we willen van een groeiend begrip daarvan ook eindelijk de vruchten plukken.

We moeten tonen dat het niet gaat om een bijzaak, een incident of een regionale geschiedenis van een paar voormalige provincies overzee. NiNsee zet erop in dat we voorbij het beperkte verhaal van onderdrukking en slachtofferschap komen, waarbij wreedheden als excessen worden gezien en de uiteindelijke abolitie als een moreel correct happy end.

De geschiedenis van de TAS en de koloniale tijd IS de Nederlandse geschiedenis van de afgelopen 500 jaar. En pas als dat besef breed aanwezig is, zijn wij volledig mede-eigenaar van een volledige, gedeelde geschiedenis. Zeer bemoedigend is dat de laatste jaren tal van instellingen in de wetenschap en de erfgoedwereld, serieuze aandacht zijn gaan besteden aan het slavernij- en koloniaal verleden. Daarbij gaat men pijnlijke vragen en ook de volledige omvang van dit drama niet uit de weg.

NiNsee beweegt zich steeds meer in het middelpunt van die inspanningen, bijvoorbeeld als mede-uitvoerder van de verkenning naar een museum over de trans-Atlantische slavernij, als penvoerder van het Landelijk Netwerk slavernijverleden en organiseren van de Black Achievement Month. NiNsee komt dus in een steeds betere positie om ook die kant van ons gewenste mede-eigenaarschap te realiseren. Mede ook dankzij de toekenning van een professionaliseringsbijdrage van de Gemeente Amsterdam. Maar daarmee zijn we er nog niet. De kansen die zo’n positie biedt moeten met volle kracht worden benut, om ook het effect dat wij voor ogen hebben daadwerkelijk te realiseren.

Dat betekent dat de zich nu ontwikkelende geschiedschrijving breed gedeeld moet worden. En daar zijn nog de nodige obstakels te overwinnen, aan beide kanten: zowel bij witte Nederlanders als bij de Afrikaanse en Afro-Caraïbische gemeenschappen. Het is duidelijk dat nog niet alle witte Nederlanders een onbevangen, open en zelfs kritische houding hebben tegenover het slavernijverleden. Wat je vaak meemaakt is een reflex die erop neerkomt dat men denkt dat aandacht vragen voor dit deel van onze geschiedenis een bewuste actie is om mensen zich schuldig te laten voelen. Dat misverstand moet snel verdwijnen. Het gaat ons erom mede-eigenaarschap van de totale en volledige Nederlandse geschiedenis op te eisen. Wat wij daarbij vragen is simpele realiteitszin en daaraan gekoppeld respect voor de kennis en ervaring van de Afro-Caraïbische nazaten met de impact van dat verleden.

Aan de andere kant zie je bij de soms wat ongeduldige activisten aan de AfroCaraïbische kant, de neiging om te zeggen: laten we geen aandacht besteden aan die moeilijke witten. Het gaat immers om ónze geschiedenis. Maar ook dat vind ik niet juist. Want we willen een flinke gedragsverandering bij alle witte Nederlanders. Dan moet je ook normaal tot een dialoog komen. Het is helemaal niet gek als mensen even gaan sputteren als je iconische beelden ter discussie stelt waarmee zij jarenlang zijn grootgebracht, zoals ‘de gouden eeuw’, ‘de zeehelden’ of zwarte piet.

Wij doen er goed aan dat niet direct af te wijzen, maar juist te benutten om een gesprek aan te gaan. Hier geldt denk ik wat iedere pedagoog weet: met weerstand kan je werken, met onverschilligheid eigenlijk niet. De inzet van NiNsee is om thema’s te kiezen die iedereen aanspreken en de dialoog bevorderen, zoals verzet, geld verdienen, moraal en de spanningen daartussen. Daarom wil NiNsee ook de kracht van de voorouders van Afro-Caraïbische mensen tonen, door de Lange weg omhoog onder de aandacht te brengen.

Dus het permanente verzet op alle fronten; het tegen de verdrukking in ontwikkelen van de eigen cultuur, het vanuit een positie van totale bezitsloosheid en armoede vooruit vechten voor maatschappelijke verbetering, ook voor het nageslacht. NiNsee wil dat Nederland de strijd van de voorouders en hun nazaten gaat zien als één van de belangrijke strijdbare maatschappelijke bewegingen, die vormend zijn geweest voor dit land. Net als de strijd voor het algemeen kiesrecht, de vrouwenemancipatie en het verzet in de tweede wereldoorlog.

Daarbij hoort dus ook het ware verhaal over de opbrengsten van de koloniale economie in volle omvang in beeld brengen, zodat Nederland zich gaat realiseren dat het zijn welvaart niet enkel op de vrije markt heeft verdiend. En dat de Nederlandse erflaters uit die tijd niet slechts stoere zeekapiteins, gewiekste ondernemers en wijze staatsmannen waren. NiNsee wil de ontwikkeling van het Witte geweten door de eeuwen heen onder de loupe leggen. Hoe de Nederlandse identiteit en het cultureel archief historisch zijn gegroeid. Een goed begin is vorig jaar gemaakt met een serie lezingen hierover en in opdracht van het NiNsee een onderzoek naar het parlementairdebat in 1862 rond de afschaffing van de slavernij. Wat NiNsee voorstaat is om samen met witte Nederlanders de onderlinge afstand overbruggen, zodat ook zij naar vermogen kunnen bijdragen aan verdere maatschappelijke voortuitgang van de Afrikaanse en Afro-Caraïbische gemeenschappen.

De geschiedenis krijgt wat mij betreft ook een rechtvaardig vervolg in het heden, in de vorm van repairs en erkenning. Om dat te bereiken zal de volle betekenis van onze geschiedenis ook door de regering onder ogen gezien moeten worden.

Afgelopen week zijn na rijp en langdurig beraad namens Nederland door de premier excuses gemaakt voor de houding van de Nederlandse regering in de tweede wereldoorlog. Dan zeg ik: HET KAN DUS TOCH. En als dat rijp beraad vergt is dat geen enkel probleem. Het NiNsee zal daar graag aan bijdragen, met alle feiten en argumenten die ons historische eigendom zijn.