Faya Lobi

"Hej, een bekend gezicht! Ben je van Zorg en Hoop?", zegt een warme stem vanachter een zwart mondkapje. Ik vertraag mijn pas en kijk in donkere glimmende ogen. Deze man heeft mij geraakt met Zorg en Hoop, de wijk waar ik opgroeide in Suriname. Ik droom terug en ben daar en niet hier.

Ik sta stil en doe mijn best mijn landgenoot te herkennen vanachter de vermomming van zijn mondkapje. Hij vraagt door: "Van welke straat ben je?"

De schrijver in mij wordt wakker: "Welke straat heb jij gewoond? Op welke school heb je gezeten?," kaats ik de bal terug met blije ogen. Ik heb zin in een gezellige tori over Swit Sranan op deze regenachtige herfstdag. Ik ben na maanden in Amsterdam en de diversiteit van mensen voelt als een verademing. Ik heb bewust gekozen om Amsterdam te verlaten voor een witte Vinex wijk waar ik met plezier woon en werk. Maar wat mis ik mijn mensen op straat, in de winkel en vooral de lekkere roti op de hoek. Iemand die roept dat hij mij kent van vroeger doet mijn hart smelten.

Ik luister, knik of schud nee op zijn antwoorden. Hij vertelt enthousiast over de buurt waar hij heeft gewoond, ken ik die en die? Over zijn moeder die nu op Latour woont. Tussendoor laat hij subtiel vallen dat hij in goud handelt en dat hij altijd eerste klas vliegt. Hij was twee maanden terug in Suriname voor een week.

Mijn wenkbrauwen gaan omhoog en vanachter mijn mondkapje vraag ik verbaasd: "Je moet in Paramaribo toch eerst twee weken in quarantaine?". "Ja, dat klopt, op Zanderij wordt je opgehaald door een taxiservice, je temperatuur wordt opgemeten en je krijgt een bandje om je pols. Maar je weet hoe warm het daar is. Ik zweette vreselijk, mijn pols werd dik en begon te jeuken. Ik heb het bandje afgeknipt. Er wordt niet gecontroleerd, je weet toch, hoe het daar gaat," zegt hij met een vette knipoog en maakt een gebaar alsof hij doekoe uitgeeft.

Ik wil graag zelf ervaren hoe het daar gaat en droom opnieuw terug naar de brasa van de tropen, het verblindende zonlicht en het feest van herkenning. "Mag ik je wat vragen?", zegt mijn landgenoot met zijn hoofd schuin terwijl zijn rechtervoet op de grond tikt.

"Ben je vrijgezel?", zegt hij smakkend vanachter zijn mondkapje terwijl zijn ogen in de mijne priemen. Met deze vraag ben ik meteen weer in Paramaribo en het zestienjarig meisje in mij maakt een geluidloze tyuri.  

Het meisje met blije ogen en een gezellige lach op Zorg en Hoop met een strenge vader. Ik voel de hitte van de zon op mijn huid branden. Ik ben terug bij ons lage neuten huis met witte bakstenen, het erf met grote struiken faya lobi, bougainville, varens, een bananen- en  papayaboom.

Ik ruik de jasmijnbloemen bij de poort en hoor het verkeer toeterend voorbij racen. Ik sta bij de poort tori te praten met mijn vriendinnen. Soms een boi die durft om dichterbij te komen. Wanneer er een boi op zijn brommer stopt, is mijn vader toevallig in de buurt om nét die ene struik bij de poort te snoeien met onze grootste heggenschaar.

Mijn landgenoot wacht op mijn antwoord en ik schud nee met mijn hoofd. Ik heb verkering die mijn vader zou vragen of hij hulp nodig heeft om de heg te snoeien. Die mijn tropenhart koestert en mijn brave leven flink laat schudden. De ogen van mijn landgenoot worden zacht van teleurstelling, hij zucht diep en vraagt voorzichtig: "En......ehhhhh....is hij wit?".

Ik pier mijn ogen, ze worden duidelijk, begrenzend en mijn hoofd knikt vastberaden. Ik denk in mezelf: "Ja, zijn huidskleur en haar zijn wit, maar hij heeft lobi voor Suriname." De ogen van mijn landgenoot worden nu donker van verdriet en ik ben bang dat hij met zijn hoofd gaat bonken tegen de straattegels van frustratie.

Hij jammert en smeekt: "Mi gadooooo, een Surinaamse vrouw met een witte man. Er zijn zeker geen mannen zoals mij waar jij woont, hé. Ik geef je mijn nummer, voor het geval je me nodig hebt. Wanneer je een keer met een kondreman wil praten. Je hebt zo een lieve stem, alleen om je even te horen wil ik je bellen, gudu. Ook wanneer je een keer naar Suriname wil, kan ik het voor je regelen, hoor!"

Mijn moederhart spreekt en ik zie een drammende tweejarige die dit of dat snoepje wil hebben uit net die ene winkel. Die denkt dat je met lang zeuren je zin krijgt. Hoe komt het dat mijn landgenoot beweert dat hij mij moet helpen? Dat hij geen genoegen neemt met mijn antwoord? Blijkbaar had ik zo een zin in een swit tori met een kondreman dat ik off game was bij deze wakaman. My bad.

De methode van stoppen die ik gebruikte bij mijn zoon gaat nu niet werken; een combinatie van afleiden, negeren, genieten van de dramavoorstelling met een glaasje wijn of wachten op de stilte. Deze man gaat voor het hele draaiboek: Hoe versier ik een Sranan uma? Ik besluit om het onkruid bij de wortels eruit te trekken. Het is net alsof mijn vader naast mij staat en de heggenschaar in mijn handen duwt.

Ik maak een afwerend gebaar met mijn handen alsof ik met salie en wierook mijn grenzen bezweer. "Bedankt voor je aanbod! Deze uma is zelfstandig om haar eigen keus te maken. Bedankt dat je me weer in Swit Sranan bracht, met dame, dame, mag ik je wat vragen?", geef ik hem wat terug met mijn stem iets luider.  Van binnen moet ik lachen, maar deze man mag je geen aanleiding geven, hoor ik mijn vader bestraffend waarschuwen in mijn oor.

Mijn vader kon het weten, being a bad boy himself!