Een oma verder weg

Door veel te vragen onderweg proberen we de straat te vinden waar mijn oma woont. Isadora Madretsma. Voor het eerst bevind ik mij buiten Europa. Dit is zo nieuw voor me dat de spanning om voor het eerst mijn Surinaamse familie, onaangekondigd zelfs, te gaan ontmoeten een beetje wegzwemt in het avontuurlijke gevoel. Zó ver van huis en in Zuid-Amerika rond te lopen. Voor Amsterdamse begrippen is hier een waanzinnige hoeveelheid groen, her en der verspreid. Alsof alles maar ongeveer een beetje in het wilde weg groeit en bloeit en men daaromheen huizen is gaan bouwen. In Nederland maaien we alle groen weg, bouwen de boel vol en planten vervolgens, keurig binnen de perken, enkele zorgvuldig op elkaar afgestemde struiken en boompjes tegen een paaltje, met van die lussen om ze te ondersteunen.

Na vaak fout gelopen te zijn, komen we uiteindelijk zwetend en hijgend uit in de straat waar mijn oma moet wonen. Mijn vaders moeder. Huizen als op een schilderij, oud en veel hout, met artistiek verantwoord afgebladderde verf en lieflijke, romantische veranda´s.

Hier en daar zo'n hond als in een filmshot, schuin zwalkend over de stoffige zandweg.

Beetje Gone with the wind gevoel krijg ik ervan. En van die straatgeluiden, die de uitgestorvenheid van de straten benadrukken. Een brommertje sputtert voorbij. Wat kindertjes. Kurkdroge goten met veel afval.

“Kijk! Een hagedis, zag je dat?”, stoot ik mijn echtgenoot aan, “daar liep een hagedisje!”

Ze doen hier aan natuur waar je bij staat.

Er gaat ook een bepaalde rust van uit, een soort loomheid bijna en ik kan maar niet wennen aan al die vreemde geuren en geluiden. Zelfs de honden blaffen anders.

Het klinkt allemaal doffer. Gefilterd door al het groen.

Met een zenuwachtig golfje door mijn buik ontdek ik, dat we voor het huis van mijn Surinaamse Oma staan. Zelfs een foto heb ik van haar nooit gezien.Misschien zijn ze er niet. Of nog enger: Misschien zijn ze er wel!

Er schiet van alles door me heen terwijl ik nieuwsgierig, verwachtingsvol en ietwat gespannen het hekje van het erf openduw…

 

Bij het woord oma kan ik me op dit moment even niets Surinaams voorstellen. Oma`s zijn toch wit? Zoals de moeder van mijn moeder? Met een brilletje voor en zo`n knotje achter en een zwarte handtas met daarin apothekersdrop, een zakdoek en 4711- eau de cologne? Dat hier ergens, in deze ietwat vervallen straat met al dat hysterische groen eromheen, in die stroperige hitte mijn oma woont, kan ik nauwelijks bevatten. Ik probeer mezelf voor te houden, dat deze vreemde vrouw net zo veel mijn grootmoeder is, als de moeder van mijn moeder.

Volgens mijn vader gaan ze het fantastisch vinden, dat ik zomaar even onverwacht op de stoep sta.

“Ja hoor pa, vast. Die mensen weten niet eens wie ik ben.”

“Jawel hoor”, antwoordde hij, “natuurlijk weten ze dat.”

Als hij over Suriname praat, beginnen zijn ogen te glanzen. Verdorie, hij heeft makkelijk praten, het is doodeng, dat Suriname.

 

Ik ben het hek door. Mijn echtgenoot loopt pal achter me. Nog een klein stukje en we zijn bij de voordeur. Ik druk op de bel, voordat ik het besef. Er wordt een gordijntje opzij geschoven en ik zie een donker hoofd heen en terug flitsen. Het gordijn valt weer dicht.

Dit is één van de spannendste en kwetsbaarste momenten in mijn leven en ik weet het. Mijn hart voel ik duidelijk zitten en in mijn buik fladdert een vlindertje spanning.

Dan gaat de deur met een zwaai open en kijk ik in twee diepbruine ogen en een hartelijk donker gezicht.

“Hallo?”, zegt de man.

Ik kan het me niet meer precies herinneren, maar ik zal wel zoiets gezegd hebben als:

“Hallo, ik ben Annechien Madretsma, de dochter van Johannes.”

Het donkere gezicht begint te stralen en roept uit met wijd open gespreide armen:

”Kom binnen! We hebben je verwacht.”

Ik word omhelsd, naar de woonkamer geloodst en daar in een rolstoel, middenin de ruimte, zit mijn Surinaamse Oma. Isadora Madretsma. Oma Doortje, weet ik van mijn vader.

Zij oogt breekbaar, tenger en dun, knoert-oud ook, met zo’n prins Bernhardbrilletje op haar neusje, mijn vaders neusje! Vorsend, licht glimlachend. Ze draagt ook een knotje! En ze kijkt me nu doordringend en helder aan. Ik kijk nieuwsgierig terug. Ze mist een been!

Zoals de meeste mensen schrik ik even bij het zien van een ontbrekend ledemaat. Ik herstel me vlug en geef haar een hand en een onhandige kus op haar wang. Ze kust terug en drukt even met een vogelhandje mijn schouder. Ze stelt een paar vragen over haar zoon in Nederland en zegt dat zij het leuk vindt dat ik er ben. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Babbel wat over de vliegreis en dat het heel goed gaat met mijn vader, haar zoon. 

Mijn neef Samuel Madretsma vertelt over de andere familieleden en dat ik ze beslist een bezoek moet brengen. Ik ben er wel, maar niet helemaal bij. Lichtgekleurde meubelen, veel plastic, beetje jaren 70-stijl, gezellige woning. Groot huis, naar Amsterdamse maatstaven.

Ik word ook voorgesteld aan Roosje, de vrouw van mijn neef Samuel, zoals ik nu weet, degene die de deur opende.

Er is nog een neef aanwezig. Benjamin Madretsma.

“Willen jullie eten?”, vraagt Benjamin.

“Ja, graag.” antwoord ik.

“En drinken?” vraagt hij nu.

 “Ja ook graag”, laat ik hem weten.

We mogen buiten op de veranda zitten. Terwijl we met ons bordje eten op schoot zitten, komt neef Samuel met een fotoalbum aanzetten en slaat het open op de tafel voor me.

Tot mijn enorme verbazing staan er een flinke hoeveelheid foto’s van het huwelijk van mijn ouders in en talloze babyfoto’s van mij! Ik in bad, ik in Artis, ik op een potje, ik in Zandvoort, ik bij pappa op de arm, ik bij mamma op de arm. Iemand moet al die foto’s opgestuurd te hebben.

En hier zit ik, mijlenver van huis bij wildvreemde familie-mensen in de tuin, familie zeker, maar toch en ik zit naar mezelf te kijken, als peutertje op hele oude foto’s.

Gestuurd door mijn vader? Door mijn moeder? Geen idee. Maar wat maakt het uit. Ik ben welkom. Meer dan welkom. Ik ben thuis.

Neef Samuel zei het al: Ik werd verwacht...Sranan Kondre, Kondre fumitti, mi lobi yu...