Erfgoeddagen bij Stichting Samen Sterk

De drie erfgoeddagen Slavernijverleden beginnen op een zonovergoten Bocht van Guinea in Den Haag. De vrouwen van Bromelia zetten de sfeer erin met Afro-Surinaamse zang en dans.

“Wij gedenken de mensen van toen en zingen. Zij zongen om het leed te verzachten. Ik spreek vol emotie, want het zit in de roots,” zo sprak Virginia Prade. Volgens goed Surinaams gebruik wordt het publiek uitgenodigd in een kring mee te doen. Een kring die symbool staat voor het bekrachtigen van verbroedering en verwantschap. Want zwart of wit, geel of rood, wij zijn allemaal mensen. Niet alleen het publiek genoot ervan, maar ook op de balkons waren enkele bewoners van rondom dit plein die kwamen kijken en meedeinden op de aanstekelijke Soul van deze band.

Daarna nam wethouder Rabin Baldewsingh het stokje over voor de officiële opening. Hij werd warm verwelkomd door de vrouwen en gaf een bewogen speech waar vermoedelijk iedereen wel iets in herkende. Wethouder Baldewsingh benadrukte het belang van het blijven herinneren van de slavernijtijd. Het lijkt wel alsof wij die tijd vergeten zijn, een tijd van gelegaliseerde mensenhandel en uitbuiting.

Maar het is een belangrijk stukje geschiedenis. Het lijkt misschien lang geleden, maar het is als de dag van gisteren en leeft nog steeds voort. Het is het verhaal van u en ik.  Juist die geschiedenis verklaart hoe wij met verschillende achtergronden verbonden zijn in Nederland en met de Nederlandse geschiedenis. Om dat te herinneren is het vooral van belang dat er een levend monument is. Het gaat niet om een monument waar we één keer per jaar heen gaan om bloemen te leggen. Veel belangrijker is het om activiteiten te hebben en ontmoetingen te creëren. Daarom juicht de wethouder initiatieven als deze dagen zeer toe. Net zoals de wandeling die nu bij het Haags Museum te verkrijgen is,  langs plekken in Den Haag die verbonden zijn met verhalen uit het slavernijverleden. Want: “Wij zijn hier omdat zij daar waren.”    

Na de officiële openingshandeling gaat Valika Smeulders dan verder. Zij heeft zich gespecialiseerd in het slavernijverleden en is mede-organisator van deze dagen. De wandeling van het Haags Museum die door de wethouder al even werd aangestipt, is mede van haar hand. Aan het begin van haar lezing beschrijft ze wat voor haar de reden is om zich hiermee bezig te houden. “Wij dragen veel meer van de ander in onszelf, dan wij ons vaak bewust zijn.” Haar interesse in de slavernij komt eruit voort dat zij eigenlijk op zoek is gegaan naar de oorzaak van de verschillen tussen zwart en blank, die ook nu nog altijd leven. En dat terwijl alles over de grenzen heen gaat. Niet alleen nu, maar ook toen.

Het gaat er volgens Valika om te onderzoeken wat ons bindt, om de pijn te erkennen en de schoonheid te vieren. Met die insteek zijn deze erfgoeddagen georganiseerd. En dat, zo kan achteraf gezegd worden, is precies wat het programma bood.

In haar inleidende lezing vertelt Valika over enkele plekken in Den Haag die direct verbonden zijn met toen. Zo werd het Mauritshuis vroeger wel het Suikerpaleis genoemd, in de tijd dat het bezit was van een stadhouder die de Nederlandse slavenhandel flink heeft opgeschaald. Het Huygenspark heette de Bocht van Guinee tot er twee moorden werden gepleegd. Om dat te vergeten werd de naam veranderd in Huygenspark. Het vreemde is dat van deze gebeurtenis alleen de naam van de moordenaar voortleeft in de uitdrukking ‘de kop van Jut’, terwijl de link naar het slavernijverleden volledig vergeten is. Pas in 1996 werd de naam Bocht van Guinea opnieuw ingevoerd. Dit patroon is op veel meer plekken te vinden, maar er zijn ook enkele uitzonderingen, met Middelburg als bekendste voorbeeld. Middelburg is één van de weinige plekken waar de verhalen over slaven en slavernij tot op de dag van vandaag levend zijn.

Al met al is het een geschiedenis van 250 jaar waarin onderscheid gemaakt werd in wat Europees was en wat niet. Dat onderscheid, zo komt Valika tot conclusie, verklaart waarom er nu een gebrek aan bewustzijn is over die tijd.

Na deze introductie in de mate waarin de herinnering aan het slavernijverleden wel en niet voortleeft, verplaatst de groep mensen zich naar het buurthuis van Stichting Samen Sterk aan het Zieken 103. Hier wordt het programma voortgezet. In een volle zaal – gemiddeld waren er per dag ongeveer 90 tot 100 mensen aanwezig – wordt de veel gevierde film Sombra di Koló getoond.

Sombra di Koló is een indrukwekkend verslag waarin mensen uit vijf totaal verschillende wijken op Curaçao antwoord geven op de vraag ‘Wat is kleur voor jou?’ De film is gemaakt door Angela Roe, vrouw met 50% blank en 50% zwarte achtergrond. Toen zij de leeftijd bereikte dat zij voor het eerst alleen op vakantie ging naar Curaçao, deed haar tante een schokkende uitspraak, namelijk: “Je mag alles doen wat je wilt, maar kom niet met een zwarte man thuis.” Dit was de aanleiding voor een project dat nu, vijftien jaar later tot deze film heeft geleid.

Sombra di Koló schetst op sfeervolle wijze hoe kleur nog altijd van invloed is. Alhoewel de discriminerende schoolboekjes van vroeger niet meer in gebruik zijn, is er in praktijk nog altijd verschil. In de zaal klinken van tijd tot tijd bevestigende geluiden; kijkers herkennen zich in wat er gezegd wordt, zowel in zaken waarin het onderscheid naar voren komt, als in uitspraken als ‘wij zijn allemaal mensen’.

In de film gaat Angela Roe naar arme en rijke wijken. Het is iedereen bekend, maar hiermee komt nog eens extra naar voren dat in de arme wijken het relatieve aandeel gekleurde mensen erg hoog is en dat hoe rijker de wijk, dat aandeel afneemt en het aandeel blanke mensen toeneemt. Tegen het einde van de film komt zij in één van de rijkste wijken en interviewt daar een blanke man. “Nee, ik heb geen gekleurde mensen in mijn vriendenkring, maar ik ga wel één keer per maand naar de sociëteit waar ik veel zwarte mensen ontmoet en dat is dan een hele avond”, waarna hij even later vervolgt met  “dus ik vind die vraag die jij stelt over de betekenis van kleur eigenlijk een gepasseerd station.” Een golf van verontwaardiging gaat door de zaal.

Vanwege het tijdsschema wordt het nagesprek wat kort gehouden, maar toch komen er mooie inzichten naar voren. Het gaat namelijk niet alleen over het verschil van blank en zwart: “het is schokkend te beseffen hoe wij onderling nog bezig zijn met de verschillende schakeringen, terwijl het zo enorm diep zit bij ieder van ons.”

Na deze indrukwekkende film, gaat het programma over naar een wat luchtiger onderwerp: de kunst van het hoofddoek vouwen. De basis is redelijk eenvoudig en van daaruit is er volop creativiteit in te stoppen en kan ieder zijn eigen persoonlijke variant maken. “Kies je weg en baan je vrij. Vergeet je verleden niet, maar leef nu.”  

Dit wordt gevolgd door een lezing van Reggie Baay. Hij vertelt over een stukje slavernijverleden dat verbonden is met Nederland, waar de meeste mensen in de zaal niet bekend mee waren. De slavenhandel destijds ging namelijk niet alleen naar de West; in de Oost zijn in de loop van bijna 200 jaar tijd tussen de 650.000 en 1 miljoen slaven verhandel. In de Oost bestond al een cultuur van slavernij en de VOC ging daar direct in mee. De slaven in Indonesië kwamen van slavenmarkten in India, maar werden ook meegevoerd vanuit Oost-Afrika.

In de Oost was het houden van slaven een statussymbool. Daarmee toonden families aan dat zij zich dat konden veroorloven en dus van belang waren. Van deze slavernij is veel minder materiaal overgebleven dan van slaven in de West. Wel zijn er schilderijen van blanke families waar een zwarte slaaf op te zien is. Opvallend is dat deze slaven vaak als jongen werden afgebeeld.

Het is duidelijk te merken dat Reggie Baay praat vanuit gedegen, uitgebreid onderzoek. Hij vertelt dat er maar heel mondjesmaat informatie over deze kant van de geschiedenis te vinden is. Er zijn nauwelijks verslagen uit die tijd, of dagboeken van slaven zoals we die in de West wel hebben ontdekt. Door vasthoudendheid ontdekt hij echter steeds meer details en was vooral blij verrast toen hij – nota bene op zijn verjaardag – plots werd gebeld door iemand die wel nog een handschrift van een slaaf in bezit had.

Na de officiële afschaffing van de slavernij, is deze in Nederlands-Indië in praktijk blijven bestaan tot in de jaren ’30 van de vorige eeuw.

Dag 2 – Zaterdag 12 september 2015

Wat kunnen beelden toch veel zeggen. Dat bewijst de openingsfilm op de tweede erfgoeddag: Katibo Yeye. Een werkelijk prachtige film waarin Clarence Breeveld wordt gevolgd op een tocht naar Ghana en Suriname. We reizen met hem mee langs de route die de slaven aflegden. We komen in de rivier waar zij zich moesten wassen en gaan naar de forten waar zij bijeen gedreven werden. In kerkers waar geen daglicht was, met te weinig ruimte om te zitten of te liggen, verbleven zij dagenlang. De lijn tot waar hun uitwerpselen zich ophoogden en waar zij dus zelf in stonden is nog altijd te zien op de muur van de ruimte; heuphoogte! Het enige licht kwam uit een klein deurtje; the door of no return; daar waar zij uiteindelijk weer naar buiten gedreven werden om verscheept te worden naar de West.

Het is schokkend te zien hoe afstammelingen van een volksstam die naar verluidt hun eigen mensen hebben verhandeld, dit in eerste instantie glashard ontkennen.

Van daaruit is er verrassing en een puntje van licht als de begeleider uit Ghana mee gaat naar Suriname en daar een wintiman ontmoet. Deze wintiman is een afstammeling van de marrons; de 10% van de slaven die heeft kunnen vluchten naar het oerwoud en daar in relatieve vrijheid hebben kunnen leven. De wintiman blijkt dezelfde taal te spreken als de man uit Ghana. Ondanks de paar honderd jaar onderscheid, is de verbinding nog altijd levend!

We hebben de eer dat Clarence Breeveld zelf aanwezig is en het nagesprek leidt. Bovendien brengt hij de sfeervolle song ten gehore die hij tijdens deze reis maakte en die in de film als een continue draad mee gaat. Wat met deze film en in het nagesprek tot uitdrukking komt is dat ‘slavernij in de geest niet is afgeschaft en dat pas als we geen onderscheid meer maken, de pijn werkelijk kan transformeren’.

In een persoonlijk gesprek met Alwin Marengo, penningmeester bij Stichting Samen Sterk, vertelt hij dat hij in de forten in Ghana is geweest. Hoe indrukwekkend het was en hoe diverse mensen uit het reisgezelschap winti kregen toen zij zich wasten in de rivier waar destijds de slaven zich moesten wassen voor zij verhandeld werden. “Ik weet dat het niet voor iedereen mogelijk is, maar eigenlijk zou iedereen die reis een keer moeten maken. Het is sindsdien dat ik me veel meer ben bezig gaan houden met deze geschiedenis en het belang ben gaan inzien om ons dat te blijven herinneren.”

Met die boodschap in het achterhoofd gaan we door naar Annemieke van der Vegt. Zij vertelt over een kindslaaf die terecht kwam in het koninklijk huis van Oranje. Bij de geboorte van Willem van Oranje werden ‘twee Africaansche moortjes’ cadeau gedaan. Eén daarvan die op dat moment de naam Presto draagt volgen we verder. Presto is, zo blijkt uit onderzoek in 1743 geboren en wij weten niet welke naam hij bij geboorte mee kreeg.

Annemieke laat zien dat op schilderijen uit die tijd vooral zwarte jongetjes werden afgebeeld in Europese gezinnen en dat we daar eigenlijk geen meisjes op terug zien. Het verhaal van Presto gaat over de verschillende fasen in zijn leven. Zwarte jongens waren op jonge leeftijd bij de vrouwen, maar werden overgedaan naar de mannen als ze ouder werden.

De luisteraars reageren verrast als Annemieke ermee besluit dat zij dit verhaal is gaan uitzoeken omdat zij ontdekte dat deze Presto – die later de naam Christiaan van der Vegt kreeg – één van haar voorvaderen was. Annemarie is in principe een witte vrouw, maar heeft dus toch ook nog enkele procenten ‘zwart’ DNA. Dit was in haar familie volledig vergeten. Toen zij het ontdekte, vielen echter wel meerdere aspecten van haar familie en haar leven op zijn plek. Het is een schitterend voorbeeld van een verbondenheid en verwevenheid die nu al enkele honderden jaren terug gaat.

Veel mensen herkennen dit verhaal en één vrouw uit het publiek vertelt “ik ben zwart en wilde dat wel weten, maar wilde niet weten dat ik ook witte voorouders had. Toen nog niet zo heel lang geleden bekend werd dat het niet alleen witte voorouders waren, maar ook nog eens plantage-eigenaren, heb ik echt wel even een avond hoofdpijn gehad.”

Al met al een dag waarin de slavernij in het licht komt te staan van onderscheid en verbondenheid. En het belang om die verbondenheid te onderzoeken en zo nader tot elkaar te komen.

Dat thema krijgt later op de dag nog een bijzonder tintje. Het programma neemt ons namelijk mee in de muziek. Muziek is er altijd geweest en werd voor vele doeleinden gebruikt. Het is een communicatiemiddel, maar kan ook protest uitdrukken, het kan stress ontladen en feesten begeleiden. Er wordt verteld over Surinaamse winti en Antiliaanse Tambu en…..even later staan ze naast elkaar! Waar voorheen de nadruk op onderscheid lag en sommigen bang waren dat hier een strijd geleverd zou gaan worden, trakteerden Witi Doivie en Harmonia Strak het publiek nu samen op een geweldig feest. Een schitterende demonstratie van muziek als communicatiemiddel. 

Dag 3 – Zondag 13 september 2015

Op zondag lijkt het geheel een wat luchtiger toon te krijgen. Tenminste, dat zou je denken als je ziet dat de onderwerpen kleding en haar zijn. Niets is minder waar. Juist deze middag roepen de films en voordrachten veel reacties op.

Dat begint direct met de film ‘Mama Benz en de smaak van geld’. In deze film wordt een beeld geschetst van het Nederlandse bedrijf Vlisco in Afrika. Vlisco is producent van batik-stoffen. De techniek komt van oorsprong uit Indonesië, maar omdat daar de markt beschermd werd, besloot Vlisco al vele jaren geleden zich te richten op de Afrikaanse markt.

In de film zien we hoe een jonge marktvrouw wordt bewerkt door een team van met name blanke mannen om informatie vrij te geven over hoe iedereen te werk gaat, zogenaamd in ruil voor betere voorwaarden. Door haar te laten geloven dat ze succesvol kan zijn, groot moet denken en niet naar de andere vrouwen moet luisteren, geeft ze gevoelige informatie door waarmee het Vlisco management sterker komt te staan. Aan het eind van de film beseft deze jonge vrouw haar misstap en ziet ze in dat ze gebruikt is voor andermans doeleinden.

Deze film illustreert een belangrijke drijfveer die in de hele geschiedenis is terug te vinden; het economische belang. Op één of andere wijze lijkt de menselijkheid en de verbondenheid in dat wij allen mens zijn, te verdwijnen zodra financiële belangen en machtsaspecten om de hoek komen kijken. Dan bewegen wij ons keer op keer van verbondenheid naar gescheiden zijn.   

Het onderwerp kleding wordt voortgezet in een voordracht van Janice Deul. Op boeiende wijze vertelt zij over ‘Afrikaanse mode’, of eigenlijk dat er niet zoiets als Afrikaanse mode bestaat aangezien we daar in één woord even een heel continent aanduiden. Toch is er wel een grote gemene deler aan te wijzen en dat komt neer op kleur, prints en hoofddoeken. Zij laat ons voorbeelden van prints zien en ook hoe Westers en Afrikaans design steeds vaker samenvloeien en verrassende combinaties geeft. En dat terwijl de Westerse en de Afrikaanse designer van oorsprong een heel ander uitgangspunt hebben.

Voor Westerse ontwerpers is de vrouw als een kapstok waaraan zij hun eigen mooie creaties kunnen ophangen. Dat heet hier haute couture. Voor de Afrikaanse ontwerper is niet de creatie, maar juist de vrouw het uitgangspunt en hoe zij zich op haar mooist kan tonen. Hierbij wordt de vrouw in al haar volheid gevierd.

Janice benadrukt dat aangezien mode een uiting van de cultuur is, het ontwerp van mode ook mede vorm geeft aan die cultuur. Als we in mode de grenzen kunnen overschrijden, kan dat ook steeds meer in onze cultuur tot uiting komen. 

De presentatie wordt hier overgenomen door Sandra Sprott, die samen met Janice Deul het ‘Little Black Hair Book’ heeft geschreven, dat één dag later zal uitkomen. Het boek is geschreven om bij te dragen aan de idee dat ‘natural’ ook gewoon mag.

Het Little Black Hair Book is een illustratie van de schoonheid van zwart haar met schitterende en opvallende kapsels die laten zien dat je blij kunt zijn met zulk mooi haar.

Het meest aangrijpend is het persoonlijke verhaal van Sandra over haar strijd tegen het gebrek aan black hair producten bij de drogist op IJburg. Er komen vele reacties uit de zaal dat het inderdaad triest is dat dit nog geen gemeengoed is. Eén vrouw vertelt hoe ze er twintig jaar geleden getuige van is geweest dat zwarte make-up nergens te verkrijgen was. Het begon toen met één winkel, verspreidde zich maar mondjesmaat. Vandaag de dag is het wel overal verkrijgbaar en is het zelfs zo dat nieuwe modehuizen hier vaak vanaf het eerste begin een item van maken. Op zich lijkt dat een overwinning, maar het lijkt er dus op dat die strijd iedere keer weer opnieuw gestreden moet worden.

In de film Good Hair van komiek Chris Rock, komen we vervolgens alle ins en outs te weten over hoe in Amerika met black hair wordt omgegaan. Met name vrouwen geven grote sommen geld uit aan relaxed hair, extensions en alle andere dingen die mogelijk zijn. Er is een levendige handel van echt haar dat uit India komt en in Amerika verkocht wordt.

De ‘relaxer’ (waarmee kroeshaar plat wordt) is van oorsprong uitgevonden door een zwarte man. Dit vanuit het idee dat hoe blanker de zwarte kan zijn, hoe serieuzer deze genomen wordt en hoe succesvoller, mooier en beter dat is. Uiteindelijk zijn het echter de blanke mannen die deze markt beheersen; zij hebben het echt groot weten te maken. Tegelijkertijd biedt deze industrie ook weer werk aan talloze ‘zwarte’ kappers. Het is een verwevenheid die in stand wordt gehouden door alle partijen; de blanke producten, de zwarte kappers, de zwarte vrouwen…wederom een portret van verbondenheid en verscheidenheid tegelijkertijd.

De film is serieus en luchtig tegelijkertijd. En dat is precies wat deze drie dagen kenmerkte: het was serieus, soms aangrijpend of indrukwekkend, en tegelijkertijd was er een gevoel van verbondenheid, warmte en elkaar respecteren voor wie ieder van ons is.

Volgende week nog één dag: met de bus naar verschillende landgoederen op de Utrechtse Heuvelrug. Maar nu wordt de dag afgesloten met een plengoffer, traditioneel eten en muziek van Kankantri.

Dag 4 – Bustour Utrechte Heuvelrug

Op 19 september 2015 wordt de het onderzoek naar het erfgoed Slavernijverleden afgesloten met een bustour over de Utrechtse Heuvelrug. In dit gebied zijn veel landgoederen en kastelen te vinden die een link hebben naar de slavenhandel.

Op de heenweg van Den Haag naar de eerste stop, vertellen de twee gastvrouwen van deze dag over de EBG – de Evangelische BroederGemeente die in Suriname een grote rol heeft gespeeld – en over de geschiedenis van verschillende landgoederen en culturen.

Als eerste vertelt Mildred over de EBG. Zij begint haar verhaal met de uitspraak “Alleen als we het verleden verwerkt hebben, kunnen we samen leven in harmonie.” Dat, zo vertelt zij, is waarom zij over de EBG zal vertellen en niet zoals andere kerkelijke gemeenschappen om zieltjes te winnen.

De Evangelische BroederGemeente heet ook wel de Hernhuttergemeente en is begin 18e eeuw ontstaan. In de omgeving van Hernhut woonde een Saksische graaf die geïnteresseerd was in de gewone man die het tegen de Katholieke Kerk opnam. Hij gaf toestemming om onderaan de Hutberg een gebouw hiervoor te laten bouwen.

De EBG is van oorsprong een verzetskerk. Zij nam het op tegen het machtige bolwerk van de Katholieke Kerk. Zij vinden dat het er niet om gaat dat je doet alsof je gelovig bent; het gaat erom hoe jouw geloof doordringt in hoe je leeft, in je daden. Destijds, 600 jaar geleden, werd Johannes Hus tot de brandstapel veroordeeld vanwege deze gedachten.

De EBG wilde nieuwe regels, waarden en normen, zoals:

  • De bijbel moet te verstaan zijn en de preken ook – dit om ervoor te zorgen dat het gewone volk het ook kan begrijpen en niet afhankelijk is van de machtige bisschoppen en gestudeerde elite voor interpretatie.
  • Zendingwerk voor de zwakkeren en armen van de samenleving
  • Nooit mag het geloof worden afgedwongen
  • Saamhorigheid, naastenliefde en materiële hulp voor waar dat nodig is.
  • Persoonlijke groei, educatie en projecten.
  • Gelijkwaardigheid
  • Democratische structuur

Ondanks deze verheven principes, stond de beweging ook in een bepaald tijdsbeeld. In 1734 vertrokken de eerste zendelingen naar Suriname. Zij wilden daar de slaven het woord van God brengen en ze een vak laten leren. In de eerste notulen van de EBG in Suriname valt te lezen dat slaven nog ijveriger moesten zijn en de vrijheid niet moesten verlangen. De EBG heeft zelf ook slaven opgepakt en was achteraf gezien dus ook ‘fout’. Tegelijkertijd hebben zij veel werk verzet op het vlak van educatie en bv landbouwprojecten. Vandaag de dag is het EBG een grote volkskerk die zich wereldwijd heeft verspreid.

De tour van vandaag zou eigenlijk leiden naar het EBG in Zeist (op het terrein van Slot Zeist), maar gezien een grote verbouwing is dat nu niet te bezoeken.

Valika Smeulders begint haar verhaal over de Kaapse Bossen. Dat werd gekocht door een familie Swellengrebel. Hij was gouverneur op de Kaap in Afrika en gaf de bossen die naam.

Zij vertelt over de reden waarom slaven altijd uit het buitenland werden gehaald en ook waarom uit verschillende landen. Op die manier waren de slaafgemaakten onbekend met elkaar en met het gebied waar zij terecht kwamen. Zij spraken elkaars taal niet en de communicatie onderling was lastig. Zo was het voor de slavenhouders gemakkelijker om ze onder de duim te houden.

Doordat in Zuid-Afrika en in Indonesië de huidige huidskleur niet meer terug te leiden is naar een al dan niet slaaf zijn in het verleden, werkt het thema daar veel minder door.

Valika vertelt verder over verschillende landgoederen op de Utrechtse Heuvelrug. Ze vertelt over kasteel Amerongen die een relatie had met de plantage Meerzorg in Suriname. Over kasteel Lunenburg en kasteel Maarsbergen. Die laatste was in handen van de familie De Beaufort, die verschillende plantages had in Suriname. Van deze plantages is bekend dat er een zeer wrede behandeling was en dat vele slaven stierven aan ondervoeding. Interessant detail is dat bekend is dat hoe verder weg de eigenaar van de plantage woonde, hoe wreder over het algemeen de slaven werden behandeld.

Een ander saillant detail is dat toen de slavernij werd afgeschaft, de eigenaren werden gecompenseerd. De slaven kregen ‘uiteraard’ niets. Zo kreeg de familie van Zwiepenstein een bedrag dat omgerekend nu ongeveer 500.000 euro zou bedragen. Ofwel, ook (kort) na de slavernij werd de rijkdom die de handelaren ermee hadden vergaard verder bevestigd.

Na deze interessante lezingen, zijn we aangekomen op kasteel Sterkenburg. Een schitterend landgoed, waar de huidige eigenaar ons verwelkomt. Hij vertelt over de geschiedenis van Sterkenburg en hoe het er in vroeger tijden aan toe ging. Tegenwoordig is het in gebruik als B&B en voor bruiloften en partijen.

Het huis is volledig in oude stijl ingericht en doet zeker terugdenken aan de koloniale tijd. Hier kun je nog gemakkelijk voorstellen hoe de rijke heren met een glas cognac en dikke sigaar de zaken bespraken over het voetvolk.

Van hier leidt de tocht verder langs Slot Zeist – waar vanuit de bus het EBG te zien is en dan langs het landgoed Soestdijk dat in eigendom is van de Oranje Nassaus. De koninklijke familie heeft ook een zeer uitgebreide geschiedenis en directe link naar het slavernijverleden, waarover op de tweede dag van deze erfgoeddagen slechts een heel klein tipje van de sluier is opgelicht door Annemarie van der Vegt.

Kort na Soestdijk komen we aan op landgoed Groeneveld. Tegenwoordig een schitterend wandelgebied en op eigen gelegenheid bezoekt iedereen hier het kasteel. Qua interieur en sfeer van binnen is het nauwelijks te vergelijken met kasteel Sterkenburg en ook hier zie je inmiddels een gecombineerde functie met zalen voor speciale gelegenheden.