Ik heb 't geprobeerd

Ik wilde er eerst aan herinneren dat zwarte mensen, wereldwijd, aan een blik genoeg hebben om elkaar als “fam” te herkennen. Je kent hem wel, die knik van “heee-ey!” die we elkaar geven wanneer we elkaar tegenkomen op plekken op de wereld waar we eigenlijk in de minderheid zijn. Die geheime handshake die onze ogen maken wanneer ze elkaar vinden, die mentale boks die alleen wij kennen …

Maar dat leek me een beetje ver gezocht. 

Toen overwoog ik te vertellen dat zwarte mensen overal ter wereld één overeenkomstige cultuur hebben. Dat loopje, die dansjes, onze sense of cool; dat is universeel toch? Dat het eigenlijk toch duidelijk moet zijn uit de muziek die we maken? En dat je geen enkele zwarte persoon eigenlijk hoeft uit te leggen hoe hij een beat moet volgen; dat zit zo’n beetje in onze dna verwerkt.

Maar toen vond ik dat er daar niet genoeg wetenschappelijk bewijs voor was.

Toen herrinnerde ik me dat er niet lang geleden wel een uitkwam, waarin stond dat Marrons uit Suriname hun Afrikaanse genetische erfenis voor 98 procent bewaard hebben. Ik dacht dat het feit dat de eerste echte vrije zwarte mensen in Suriname het meest Afrikaans zijn van alle zwarte mensen buiten Afrika, toch duidelijk zou moeten maken dat wij allemaal uit Afrika komen?

Maar dat leek me dan weer te wetenschappelijk.

Toen bedacht ik dat het toch duidelijk moet zijn aan de overeenkomst in de talen die we gecreëerd hebben tijdens onze 400 jaar gevangenschap. Dat het Sranan bekend klinkt in de oren van een Jamaicaan; dat ik recent leerde dat het woordje “lobi” (liefhebben in het Sranan), “my love” betekent in de taal van de Ga, de oorspronkelijke bewoners van Accra in Ghana.  

Maar dat gaan ze niet geloven, besloot ik. 

Toen besloot ik te wijzen op ons haar; dat het daaruit toch duidelijk moest zijn? Dat we misschien allemaal verschillende nationaliteiten hebben, maar dat we allemaal naar dezelfde kapper gaan. Dat ik het mooi vind dat mijn Ghanese kapper en ik elkaar niet echt goed verstaan, maar dat hij zonder veel woorden snapt wat ik wil met mijn kapsel.

Maar ze gaan zeggen dat het niks bewijst, dacht ik echter. 

Toen wilde ik vertellen over die ene keer toen ik mijn Afrikaanse studenten hun armen liet plaatsen naast de mijne, zodat ik hun kon wijzen op de overeenkomsten tussen ons en kon uitleggen hoe sterk wij niet waren. “Ook al zijn we 400 jaar lang uit elkaar gerukt, slavernij kon er niet voor zorgen dat we niet meer op elkaar lijken”, vertelde ik de kinderen.

Toen realiseerde ik me dat ik dat verhaal al eens verteld heb en dat het toen geen indruk maakte. 

Toen wilde ik het over de boeg gooien van “als we niet gauw eens met z’n allen gaan besluiten wie en wat we zijn, dan laten we het over aan anderen om dat voor ons te doen. Dan zitten we over een tijd nog steeds met het n-woord in onze maag, maar dan moeten we niet klagen dat het nog meer gemeengoed geworden is bij mensen waarvan we vinden dat die het niet moeten gebruiken. Als we niet gauw eens gaan besluiten wie en wat we zijn en accepteren dat we allemaal van één bepaalde plek afkomstig zijn, zullen we verdeeld blijven en beheerd worden. Eendracht maa …”

Ik stopte mezelf halverwege, want dit is ons al tientallen jaren lang, miljarden keren verteld. Waarom gaan ze nu naar jou luisteren?. 

Zucht. 

Toen bedacht ik me dat ik misschien nog beter kon proberen uit te leggen dat ik met niet mijn geboorteland verloochende, maar mijn voorouders eerde. Dat ik daarmee hintte naar mijn genetische erfenis. Dat Afrika geen land is maar een continent. Dat ik daarom dus niet zeg "I am Ghanaian" of "I am Nigerian", maar I AM AFRICAN. 

Dat we Chinezen “Chinees” noemen, ook al wonen ze al generaties lang niet meer in China. Dat we zonder enig talmen bereid zijn aan te nemen waar Indiërs en Hindustanen en Europeanen oorspronkelijk vandaan komen, maar dat we het maar niet eens kunnen worden over onszelf. Waarom?

Dat onze geschiedenis niet begon met slavernij en dat we ons niet hoeven te schamen voor datgene dat met onze voorouders gedaan is.

Dat ik eigenlijk zeg dat ik met voor mezelf de zoektocht naar mezelf beëindig. Dat ik me Surinamer voel, maar tegelijkertijd vaak ook natie-loos, omdat mijn voorouders niet  zelf mochten bepalen in welk land hun kinderen geboren zouden worden.

Dat mijn geboorteland eigenlijk niet mijn land is, maar een prachtig stuk grond dat moordende kolonisten met geweld afgepakt hebben van de oorspronkelijke bewoners, waarna ze mijn voorouders en anderen ernaartoe gekidnapt hebben, waarna ze ons allemaal en het land eeuwenlang verkracht en uitgebuit hebben totdat ze het niet meer konden verkrachten en uitbuiten en toen vertrokken en ons achterlieten met een goedkope onafhankelijkheid en een bedrag aan ontwikkelingshulp waarmee ze hun eeuwigdurende verantwoordelijkheid en schuldgevoel goedkoop afkochten.

Nee, nee, nee, nee, nee. Stop! Dat gaat te ver … en te diep. Dat gaan ze niet willen horen, dacht ik snel. 

Maar wat doe ik dan?, vroeg ik me toen af. In ieder geval heb ik het geprobeerd.